Wikia


donderdag 20 juni 2013Edit

1. De huidige wetenschapsfilosofie wordt vaak omschreven als mechanisch. Leg uit wat dit inhoudt en waar dit vandaan komt. Geef ook de kritiek op dit wereldbeeld.

2. Statistiek is een voorbeeld van coproductie. Leg uit.

3. Leg uit hoe de wetenschapsbeleving verschilt tussen centrum en periferie.

maandag 10 juni 2012 (voormiddag)Edit

1. Leg uit hoe de wiskunde een prominente rol begon te spelen binnen de wetenschap en geef de gevolgen

2. Geef het conflictmodel en het harmoniemodel tussen geloof en wetenschap en geef ook de huidige visie erop

3. In de jaren '60 kreeg de wetenschap rake klappen, waarom?

woensdag 20 juni 2012 (namiddag)Edit

  1. Wiskunde als kennismodel werd heel belangrijk. Leg uit hoe de wiskunde zo'n dominante positie heeft kunnen verwerven.
  2. De huidige relatie tussen staat en wetenschap is heel complex en wordt beschreven als een coproductie. Leg uit en geef hier enkele voorbeelden van.
  3. Sedert de jaren 60 is de druk op de wetenschap door het publiek enorm gestegen. Leg uit waarom er net dan zo'n versnelling in druktoename was.

maandag 11 juni 2012 (voormiddag)Edit

  1. De wetenschappelijk revolutie stelt dat het gaat van Copernicus -> Galilei -> Newton. Vertel meer over welke evoluties zo over het hoofd gezien worden.
  2. Wetenschap en geloof stonden stonden zowel in harmonie als in conflict met elkaar. Geef voorbeelden en argumenten voor beide. Is dit nu nog zo?
  3. De 2 culturen: leg uit en is het waar dat dit iets is typisch voor de 20s't'e eeuw?

vrijdag 17 juni 2011 (voormiddag)Edit

  1. Wat betekent "hypotheses non fingo" bij Newton? Bespreek het belang hiervan in het kader van de wetenschappelijke revolutie.
  2. Linnaeus en Buffon vertegenwoordigden twee verschillende typen van wetenschappers in de Verlichting. Leg uit.
  3. Hoe komt het dat Mendels onderzoek bijna volledig werd genegeerd bij zijn publicatie in 1865, terwijl zijn theorie rond 1900 plots door verschillende wetenschappers tegelijk werd herontdekt?

woensdag 16 juni 2010 (namiddag)Edit

  1. Voor de wetenschappelijke revolute werden experimenten niet gezien als basis voor wetenschappelijke kennis. Welke argumenten werden hiervoor gegeven? Welke tegemoetkomingen deed men later?
  2. Opkomst van de botanica: waarom was de theorie van Linnaeus zo populair? Welke kritiek werd er op deze theorie gegeven?
  3. Geen enkele voorbeelden hoe nationalistische argumenten de standpunten van wetenschappers kon beïnvloeden. Hoe probeerde Einstein een brug te maken tussen de wetenschappers?

donderdag 25 juni 2009 (voormiddag)Edit

  1. In de 18e eeuw werd de natuurwetenschap sterk beïnvloed door de fysico-theologie. Geef hiervan één voorbeeld. Wat dit een positieve of negatieve invloed?
  2. In de 19e eeuw stond de 'professionalisering' van de wetenschap centraal. Wat verstaat men hieronder? Geef een voorbeeld.
  3. In de 20e eeuw stond de neutraliteit van de wetenschap onder zware druk. Geef enkele voorbeelden hiervan en toon aan hoe die spanningen zichtbaar waren in Einstein's werk en leven.

maandag 8 juni 2009 (namiddag)Edit

  1. Copernicus heeft grote invloed gehad tijdens de Wetenschappelijke Revolutie. Leg uit.
  2. Tijdens de Verlichting (18de eeuw) lagen geloof en wetenschap heel dicht bij elkaar. Leg uit en geef hier een voorbeeld van.
  3. Darwin en zijn evolutietheorie zorgden voor een ommekeer. Leg uit.

vrijdag 20 juni 2008 (voormiddag)Edit

  1. De wetenschappen in de 17de eeuw werden gekarakteriseerd door de "mechanisering van de wetenschappen". Descartes en Newton hebben daar op een verschillende manier aan bijgedragen. Leg uit waarin beide vormen verschillen.
  2. De theorie van Darwin lokte sterke reactie uit zowel binnen als buiten de wetenschappen. Geef en bespreek enkele voorbeelden.
  3. De nieuwe natuurkunde (relativiteitstheorie, kwantummechanica, kernfysica) van de 20ste eeuw speelden een rol in de internationalisering van de wetenschappen. Vooral Einstein was een personificatie van het verlangen naar wetenschappelijk intellectueel leiderschap van de wereld. leg uit aan de hand van enkele voorbeelden.

maandag 16 juni 2008 (voormiddag)Edit

  1. Buffon en Linnaeus probeerden beide planten en dieren te classificeren. Waarin verschilde hun aanpak en kader het geheel in de tijdsgeest van de Verlichting.
  2. Chemisten en fysici geloofden eerst niet in het bestaan van atomen. Geef voor beide een voorbeeld waarom ze het niet geloofden.
  3. Toon aan dat Darwin en Mendel buitenbeentjes waren van de moderne biologie.

Voorbeeld examenvragen van ToledoEdit

  1. Wat is het verschil tussen een intellectuele en een externalistische wetenschapsgeschiedenis? En hoe onderscheiden deze benaderingen zich van het sociaal constructivisme?
  2. De Wetenschappelijke Revolutie is een veelgebruikte term in de wetenschapsgeschiedenis om een bepaalde periode aan te duiden. Toch is niet iedereen het eens over de inhoud van die term. Geef aan welke kritiek men aanvoert op het klassiek gebruik van de Wetenschappelijke Revolutie, en illustreer je antwoord met het voorbeeld van Copernicus.
  3. In de aanloop van de zestiende eeuw kwam de traditionele wetenschappelijke kennis onder druk te staan. Welke factoren hebben bijgedragen tot die situatie? Hoe veranderde het concept ‘wetenschappelijke autoriteit’?
  4. De scholastieke wetenschap van de Middeleeuwen stond wantrouwig tegenover kennis voortgebracht door eigen waarnemingen. Welke bronnen van kennis vond zij wel betrouwbaar en waarom werd het experiment slechts met grote voorzichtigheid aanvaard?
  5. In het ontstaan van de moderne wetenschap werd vooral de wiskunde als model genomen. Grote voorbeelden zijn Gerard Mercator en Simon Stevin. Hoe is die voorkeur voor wiskunde te verklaren en wat betekende dit concreet voor de natuurwetenschap?
  6. Galileo Galilei en Francis Bacon worden beschouwd als belangrijke woordvoerders van de moderne wetenschap. Toch was hun aanpak heel verschillend. Leg uit.
  7. De mechanistische natuurfilosofie van Descartes betekende de grote doorbraak van de nieuwe wetenschap. Leg uit waaruit die natuurfilosofie, en waarom die zo’n grote impact had. Wat was de plaats van het experiment in de Cartesiaanse fysica?
  8. Wat was de maatschappelijke positie van de nieuwe natuurwetenschap in de zeventiende eeuw in het licht van grote politieke en religieuze spanningen?
  9. Hoe heeft Isaac Newton de moderne natuurwetenschap afgebakend? Welk verband heeft deze afbakening met de maatschappelijke veranderingen in de Westerse samenleving?
  10. Waaruit bestaat de conflictthese in de relatie tussen geloof en wetenschap? Geef enkele voorbeelden en toon aan dat van een essentieel en blijvend conflict in de Westerse wetenschapsgeschiedenis niet echt sprake is.
  11. De twee belangrijkste conflictmomenten tussen wetenschap en geloof waren de veroordeling van de Galilei (1633) en het debat over het darwinisme. Geef in beide gevallen aan waaruit het conflict bestond en hoe die conflicten toch niet model kunnen staan voor een blijvend conflict.
  12. In de zeventiende en achttiende eeuw werden wetenschap en geloof in perfecte harmonie beschouwd. Geef enkele voorbeelden. Hoe verhoudt zich de harmonie tussen geloof en wetenschap tot de secularisering van de samenleving?
  13. De evolutieleer bood argumenten voor een wereldbeeld waarin mens en dier op één lijn werden geplaatst. Hoe beïnvloedde dit wereldbeeld de maatschappelijke discussies omtrent het statuut van mensen? Is er een directe band aan te wijzen tussen wetenschappelijke theorieën en maatschappelijke interpretaties?
  14. Darwin baseerde zijn evolutietheorie op het werk van enkele voorgangers, in het bijzonder Charles Lyell, Adolphe Quetelet en Thomas Malthus. Geef aan welke elementen hij uit hun werk overnam.
  15. Wat is het ‘sociaal darwinisme’?
  16. In het darwinisme is wetenschap moeilijk te onderscheiden van het publieke debat over maatschappelijke thema’s. Geef enkele voorbeelden.
  17. Welke belangrijke veranderingen kun je aanduiden in de wetenschapsbeoefening van de negentiende eeuw? Welke rol heeft de moderne staat in dit proces gespeeld?
  18. Leg uit hoe de statistiek bijdroeg tot het ontstaan van de moderne natie-gedachte. Is dit een voorbeeld van de zogenaamde ‘co-productie’ van staat en wetenschap?
  19. Beschrijf hoe het laboratorium een centrale plaats verwierf in de academische wetenschap.
  20. Wat is de historische betekenis van het ‘Duitse model’ van wetenschapsbeoefening?
  21. Hoe droegen wetenschappelijke laboratoria bij tot de vorming van de moderne staat?
  22. Wat verstaat men onder het lineair model van innovatie? Hoe is dit model in de geschiedenis toe te passen? Welke kritiek heeft men op dit model?
  23. Hoe onderscheidde wetenschap zich van ambacht en techniek en hoe ging aan het begin van de twintigste eeuw dit onderscheid verloren?
  24. Na de Tweede Wereldoorlog was er een groot enthousiasme voor wetenschap, maar ook een stijgende bezorgdheid over de toepassingen ervan. Geef van elke houding enkele voorbeelden.
  25. In de milieubeweging van de jaren ’60 komt een nieuwe visie op wetenschap aan bod. Leg uit.
  26. Wat bedoelde C.P. Snow met de Twee Culturen? Is technocratie (= bestuur door experts) een mogelijke oplossing voor dit probleem?
  27. De Wetenschappelijke Revolutie van de zeventiende eeuw kan worden gekarakteriseerd als een "mechanisering van de wetenschap". Zowel Descartes als Newton hebben bijgedragen tot deze mechanisering, maar op een zeer verschillende wijze. Leg uit waarin deze beide vormen van mechanisering van elkaar verschilden.
  28. Waarom werden experimenten zo lang niet gebruikt in de natuurwetenschap?
  29. Wiskunde en experiment vormen een belangrijk onderdeel van de nieuwe natuurwetenschap die in de zeventiende eeuw gestalte kreeg. Geef aan met enkele voorbeelden hoe deze nieuwe elementen geïntroduceerd werden in de wetenschappelijke methode.
  30. Met uitzondering van de veroordeling van Galilei, vond de nieuwe natuurwetenschap van de zeventiende eeuw juist een sterke bondgenoot in het religieuze wereldbeeld. In het bijzonder de Newtoniaanse fysica laat zien hoe geloof en wetenschap dicht bij elkaar aansloten. Leg uit.
  31. Linnaeus en Buffon ondernamen elk een poging om de gehele levende natuur te beschrijven. Toch gingen zij heel andere wegen op. Vergelijk hun aanpak en situeer hun werk in het bredere kader van de Verlichting.
  32. Welke verschillen kan je aangeven tussen de atoomtheorie van Dalton en deze van Berzelius?
  33. Tijdens de negentiende eeuw hadden zowel fysici als chemici grote twijfels over het bestaan van atomen en zelfs het nut van een atoomtheorie. Geef voor elk van beide groepen tenminste één voorbeeld van de weerstand tegen de atoomhypothese.
  34. Darwin en Mendel kunnen worden beschouwd als buitenstaanders van de moderne biologie. Leg uit.
  35. De theorie van Darwin riep sterke reacties op binnen en buiten de wetenschappelijke wereld. Geef en bespreek van beide enkele voorbeelden.
  36. Op welke manier droeg het darwinisme bij tot het formuleren van eugenetische opvattingen?
  37. De wetten van Mendel werden pas dertig na hun bekendmaking door de wetenschappelijke wereld herontdekt. Dat was niet toevallig, maar had te maken met een gewijzigde oriëntatie van het wetenschappelijk onderzoek. Leg uit.
  38. De nieuwe natuurkunde (relativiteitstheorie, kwantummechanica, kernfysica) van de twintigste eeuw speelde een rol in de internationalisering van de wetenschap. In het bijzonder Einstein kan als personificatie beschouwd worden van het verlangen van wetenschappers om het intellectuele leiderschap van de wereld op zich te nemen. Leg uit aan de hand van enkele voorbeelden.

Ontvangen van "http://wiki.wina.be/examens/index.php/Geschiedenis_van_de_wetenschappen"