Wikia


13/6/17 (1 cluster van 3 vragen kiezen en die oplossen, ge krijgt max 2uur)

Cluster1+2 (weet niet alle vragen meer, heb cluster 3 genomen)

1) Illustreer hoe het gemeenschappelijke landbouwbeleid van de EU sedert de oprichting van de EEG geëvolueerd is en evalueer deze evolutie vanuit Brundtland's drievoudige duurzaamheidsperspectief.

2) iets over electrische auto's in Denemarken en hen toe laten te rijden op de busstrook is dit goed voor duurzaamheid

en dan nog 4 andere vragen

Cluster3

1) Een hele uitleg over een canadees mijn project in Chili dat gletsjers kan doen verdwijnen en drinkwater kan vervuilen maar economisch een duw in de rug kan zijn. Bespreek dit met de begrippen/problemen/inzichten besproken in de eerste les

2) Het klassieke streefdoel van een groeiende economie lijkt niet verenigbaar met een aanvaardbare milieubelasting. Licht toe en geef aan wat hier de consequenties van zijn voor de maakindustrie

3) Leg uit wat de demografische transitie is. De demografische transitie verloopt niet overal op dezelfde manier: wat zijn de grote verschillen als je enerzijds West-Europese landen neemt en anderzijds landen uit het Zuiden ? Ga zowel in op verloop als op timing en geef de voornaamste elementen die de verschillen verklaren. Wat zijn hiervan de gevolgen voor bevolkingsgroei en spreiding van de wereldbevolking ? Illustreer je antwoord met figuren.

ICDO – Examenvragen 2012-2013

Les 1 – Het concept duurzame ontwikkeling ‐ 2013

Vraag 1

Onderstaande grafiek geeft de verwachte toekomstige evolutie weer van de olievoorraden gebaseerd op de oliebronnen die nu al gevonden zijn. De kloof met wat we nodig hebben (de consumptie) wordt steeds groter. Analyseer dit probleem vanuit de theorie en de terminologie van het transitiedenken. Suggereer ook een oplossing vanuit ditzelfde transitiedenken.



Concepten: Systeem-multilvlmodel-3 niveaus- verschillende termen van het transitiemodel(grafiek)- transitiemanagement


Het uitgangspunt van het transitiedenken is dat een aantal uitdagingen waarmee de wereld vandaag te kampen heeft, zo hardnekkig is, dat de huidige manier van aanpak en van beleid niet meer volstaat. Een voorbeeld daarvan is de olievoorraadproblematiek. Er zijn verschillende indicatoren die erop wijzen dat dit een reëel probleem is naar de toekomst toe. Bvb zo zijn de meeste olieproducerende landen over hun piek heen en zijn de grootste olievelden ontdekt voor 1970.  We zien dat er voor dit probleem al enkele jaren inspanningen worden gedaan, maar de situatie verbeterd er zeker niet op. Volgens het transitiedenken zal alleen een drastische verandering van ‘maatschappelijke systemen’ een structureel antwoord bieden op het gestelde probleem. Een systeem is hier een cluster van verschillende elementen zoals technologie, wetenschap, wetgeving, cultuur, gewoontes, infrastructuur, productie- en consumptienetwerken, die samen bepaalde maatschappelijke behoeften invullen. De oplossing is dus het systeem zelf te veranderen. Dit gebeurt geleidelijk, maar is tegelijk ook zeer ingrijpend.

Het multilevelmodel is een centraal element in het transitiedenken. Veranderingen in systemen kunnen optreden op drie niveaus, namelijk het macro-(landschap), het meso-(regime) en het micro-(niche)niveau. De ingrijpende veranderingen vinden bijna altijd hun basis en start ter hoogte van het microniveau. Indien hier succesvolle experimenten mee zijn en de huidige regimes (mesoniveau) niet te sterk tegenwerken, kan dit mogelijk het algemene landschap veranderen.

Een echte transitie is dus nodig voor de olievoorraadproblematiek. Zo’n transitie begint volgens het transitiemodel (zie figuur pagina 20) steeds in een predevelopmentfase, waarvan weinig vooruitgang merkbaar is. Hier wordt eerst een langetermijnvisie opgesteld, waarna experimenten worden uitgevoerd op nicheniveau, maar ze slagen er nog niet in succesvol te zijn of om de stap naar een meer grootschalige toepassing te zetten, mede doordat actoren uit het dominante regime zich verzetten tegen de verandering. Als dan toch niches in een versnelling terecht komen, komen ze in de de take-offfase en later, indien de technologie of nieuwe ontwikkeling op grote schaal kan worden toegepast, spreekt men van een echte doorbraak. Na de overgang van het oude naar het nieuwe regime volgt dan een nieuwe periode van stabilisering.

Het sturen van een transitie is niet vanzelfsprekend, maar dit is wel wat gepoogd wordt richting een duurzamere maatschappij. Hiervoor is een sterk transitiemanagement nodig, dewelke bestaat uit volgende stappen. 1. Transitiearena inrichten 2. Langetermijnvisie ontwikkelen 3. Verkennen van transitiepaden 4. instrumenten kiezen; experimenten uitvoeren 5. Tussendoelen formuleren 6. Evalueren en nieuwe cyclus opstarten

Oplossing: een oplossing voor het probleem is duidelijk niet het zoeken van extra olievoorraden. Dit zou uitstel van executie zijn (temporele afwenteling). Er moet een drastische verandering zijn met alternatieve, onuitputbare energiebronnen, zoals windenergie. Op nicheniveau moeten er goede ideeën komen die als mogelijke oplossing kunnen dienen voor alternatieve technologieën. Geslaagde experimenten zijn daarbij zeer belangrijk om druk op te voeren naar bestaande regimes, zoals het huidige regime van winstbejag en de invloed die de oliegeldwolven hebben op gouvernementele instellingen. Op het macroniveau kan bijvoorbeeld cultuur een invloed gaan vormen. De maatschappelijke ingesteldheid van ‘duurzamere energieproductie? Zeer zeker, zolang het maar niet in mijn achtertuin is’ zou een ommekeer moeten maken naar ‘duurzamere energieproductie? Zeer zeker, zet maar een windmolen in mijn tuin’. Het is echter zeer moeilijk om dergelijke instelling beleidsmatig te veranderen. Er is veel nood aan een degelijke vervanging voor olie als voornaamste energieleverancier en de tijd dringt.

Suggereer een oplossing vragen ze: zet heel de sahara vol zonnepanelen? Zet alle oceanen, waar geen drukke transportroutes zijn, vol windmolens? Of denk ik hier in de verkeerde richting; ge moogt het altijd laten weten.  Komt erop neer dat een sterke technologische vooruitgang zal leiden tot een volledige transitie en een oplossing voor dit probleem. Wat die vooruitgang juist zal zijn is een vraagteken.

Vraag 2

A. Gebruik de cijfers voor India en de Canada uit onderstaande grafieken om uit te leggen hoe duurzame ontwikkeling verwant is het met het begrip ‘afwenteling’. Beargumenteer je antwoord.

(opgelet: er wordt niet gevraagd om de grafieken af te lezen of te zeggen wat de grafieken voorstellen of betekenen, en ook niet om definities van concepten te geven.)

B. welke andere begrippen uit de les ‘het concept duurzame ontwikkeling’ kan je hierop toepassen (definitie wordt niet gevraagd, wel hoe ze van toepassing zijn)

Opmerkingen:

‐ Voor A en B samen maximaal één blad voor‐ en achterkant. ‐ toe = ton olie‐equivalenten ‐ BBP = bruto binnenlands product

Les 1 – Het concept duurzame ontwikkeling ‐ 2013


ANTWOORD: A. Dit wordt net NIET gevraagd, is van vorig jaar: (Het zijn verschillende samengestelde indicatoren van duurzame ontwikkeling. Figuur 1 geeft weer hoeveel energie per persoon gemiddeld wordt verbruikt in een land, terwijl Figuur 2 de energie-efficiënte van de economie weergeeft. Deze indicator duidt op de verhouding tussen het Bruto Binnenlands Energieverbruik (kg olie-equivalenten) en het Bruto Binnenlands Product (1.000 euro in constante prijzen van 1995). De energie-intensiteit geeft een beeld van de energie-afhankelijkheid van de economie. Uit Figuur 1 kan men afleiden dat het energieverbruik per persoon in de USA en Canada een pak hoger ligt dan de rest. Dit is natuurlijk slecht voor de duurzame ontwikkeling. Uit Figuur 2 kan men afleiden dat in China en India heel veel energie verbruikt wordt voor de economie. De efficiëntie is daar slechter, wat op zijn beurt ook slecht is voor de duurzame ontwikkeling.)

Beide grafieken zijn een indicator voor duurzame energie en leiden toch tot een volledig verschillende conclusie, namelijk dat in ontwikkelde landen (Canada) voornamelijk de levensstandaard van de mensen de duurzame ontwikkeling negatief beïnvloedt, maar dat in minder ontwikkelde landen(India) dit voornamelijk door de economie wordt bepaald. Met 1 indicator kan men niet alles weergeven. Indicatoren zoals deze worden gebruikt door de instanties waarvoor ze het beste uitkomen, dus om aan te tonen dat zij zelf niet het grootste probleem zijn maar dat de andere partij(en) het grootste probleem vormen. Dit is het probleem dat wordt bestempeld als ‘afwenteling’. Ondertussen wordt er verder gedebatteerd over wiens schuld waar ligt, en wie welke verantwoordelijkheid moet opnemen. Tijd vervliegt zo en daarmee komt de ‘temporele afwenteling’ in beeld; het probleem wordt al dan niet bewust verschoven naar volgende generaties. Deze volgende generaties komen ook voor in de Brundtlanddefinitie wat ervoor zorgt dat deze afwentelingsproblematiek duidelijk zit verweven in het concept duurzame ontwikkeling. Geografische afwenteling is dan ook zeker een feit: Canada zou maar zeer matig worden getroffen door klimaatopwarming, terwijl in India veel last zou kunnen optreden (Gletsjersmelting + overstromingen, enorm volatiele weersomstandigheden, stijging zeeniveau+verdwijnen van land) (brundtlanddefinitie: Sustainable development is development that meets the needs of the present without compromising the ability of future generations to meet their own needs.)

Ook eerder naast de kwestie: (Er is in deze landen ook veel meer energie-intensieve industrie (waardoor het BBP hoger ligt als in China en India). In landen zoals China en India ligt de levensstandaard veel lager, veel meer mensen leven in armoede en deze verbruiken veel minder energie. Verder is de industrie hier nog in ontwikkeling en deze verbruikt minder, maar is ook veel minder energie-efficient. China en India gebruiken hun energie veel minder efficiënt als US en Canada maar omdat deze landen zoveel inwoners hebben ligt hun energieverbruik per persoon toch lager. Indien deze landen verder blijven ontwikkelen en hun energie-efficiëntie niet verbeteren zal dit problemen opleveren voor CO-2 uitstoot en de opwarming van de aarde, zelfs als EU haar emissies zou beperken.)

B. - Indicatoren: Dit voorbeeld toont aan dat de indicator die gebruikt wordt het resultaat in sterke mate bepaald. Iemand die enkel de eerste figuur ziet zal vaststellen dat US en Canada slecht bezig zijn en China en India goed terwijl iemand die enkel de tweede figuur ziet juist het omgekeerde zal vaststellen. Een indicator volstaat dus niet om het hele plaatje weer te geven.

- Noord-zuidkloof

- De vervuiler betaalt: niet elk land draagt evenveel bij tot vervuiling dus de kosten hiervan moeten ook niet gelijk verdeeld worden, Europa verbruikt hier bijvoorbeeld minder energie per inwoner als de US en Canada

- Voorzorgbeginsel: Het is duidelijk dat bij verdere ontwikkeling van China en India de duurzaamheid sterk achteruit zal gaan op deze manier, hier moet nu dus al ingegrepen worden.

- Gedeelde en gedifferentieerde verantwoordelijkheid De grafieken geven weer dat bepaalde landen meer energie verbruiken als andere landen, en dus meer verantwoordelijk voor het broeikaseffect en andere milieuproblemen zijn. Er wordt dan ook een grotere inspanning van hen verwacht. Het is bijvoorbeeld moeilijk om van landen als China en India te verwachten dat ze hun energieverbruik zouden beperken, want zij zitten nog steeds op een veel lager niveau dan de landen uit het Noorden. - Ecologische voetafdruk: het is een cijfer dat uitdrukt hoe groot de druk is die elk van ons uitoefent op het milieu. In Figuur 1 ziet men hoeveel energie elke persoon verbruikt in een bepaald land. Het geeft dus de druk weer van die persoon op het milieu. Als men de 2 grafieken combineert dan kan men ook de ecologische voetafdruk bekomen van een land. Men weet hoeveel het land zelf verbruikt en Figuur 2: energie-intensiteit economie Figuur 1: energieverbruik per inwoner hoeveel energie het verbruikt voor de economie. Zo kan men er ook achterkomen hoe groot de totale druk is ten opzichte van het milieu.

- Integratie van ecologische en economische en sociale doelstellingen: We zien hier duidelijk een verband tussen economie en milieuvervuiling. Ook een verband tussen milieu en sociaal beleid, want ontwikkelingslanden hebben een vuilere economie omdat deze nog geen duurzame technologie ter beschikking hebben.

- Internationalisering/globalisering: milieuvervuiling is een internationaal probleem. Globalisering zorgt ook voor verspreiding van duurzame technologie, milieunormen…

- Afwenteling: India wentelt milieuproblemen af op het Westen, terwijl het zelf sterk vervuilt.

de tweede vraag (b) staan er foute dingen; (overgepakt van vorig jaar) at niet hoort bij de les 'concept DO' : noord-zuidkloof, de vervuiler betaalt, voorzorgbeginsel, globalisering. wat er dan weer wel bij gelapt kan worden: indicatoren - geaggregeerde indicatoren (over lullen), langetermijnvisie (elkaar schuld geven lost niets op, iedereen moet op lange termijn inspanningen leveren), afwenteling; zowel geografisch als temporeel - tegenstand van de huidige regimes (mesoniveau in het multilevelmodel), DO als discoursbegrip ==> veel blabla, weinig boem boem. - DO wordt op 'opportunistische wijze' ingevuld; ze gebruiken het hoe ze het willen.


Vraag 3

Beschouwen we de transitie naar een duurzame mobiliteit in Vlaanderen, waarbij in 2050 de CO2‐ uitstoot van mobiliteit met 75% gedaald is, de problemen van luchtverontreiniging zijn opgelost (fijn stof, ozon,…), de fileproblematiek gehalveerd is en mobiliteit voor iedereen betaalbaar is.

a. Geef ten minste twee (voorbeelden van) elementen uit het ‘landschap’ van deze transitie. Kies niet de twee voorbeelden uit de les (globalisering en klimaatverandering). Leg uit waarom ze relevant zijn voor deze transitie (1. Gezondheidsaspect? Propere lucht , minder stress ) (2. Economie? Mobiliteit is voor iedereen betaalbaar ) antwoord vorig jaar, lijkt wat vreemd

1. Technologie. Performante benzine- en dieselwagens zouden in de toekomst kunnen zorgen voor sterke reductie van CO2-uitstoot. Indien technologie ter beschikking is die op globaal niveau kan worden geïmplementeerd en betaalbaar is, zou dit een groot effect kunnen hebben in deze transitie. 2. Stijgende brandstofprijzen. Als brandstofprijzen zeer extreem worden, kan dit rechtstreeks zorgen dat CO2-uitstoot daalt omdat individueel vervoer onbetaalbaar wordt voor veel mensen. Er wordt overgeschakeld op efficiënt en goedkoop openbaar vervoer, wat leidt tot minder files, minder gasuitstoot en betaalbaarheid van het vervoer. 3. Beleid. Het beleid kan beslissingen nemen die oplossingen bieden voor allerhande bestaande problemen. Stel dat enorm vernieuwende technologie omtrent personenwagens beschikbaar wordt, kan het beleid beslissen om iedereen die niet wil meegaan in deze technologie, extra te belasten (vb. hogere tax op ‘oude’ personenwagens).

b. Geef ten minste twee voorbeelden van bestaande regimes die de transitie kunnen tegenwerken of bemoeilijken. = regimes = mesoniveau Een transitie is een structurele maatschappelijke verandering met de verandering van een systeem. Dit systeem is een cluster van verschillende elementen zoals technologie, wetenschap, wetgeving, cultuur, gewoontes, infrastructuur, productie- en consumptienetwerken. In dit geval gaat het dus om een mobiliteitssysteem.

1. Het belang van geldopbrengst, winstbejag. Enorm veel actoren handelen in naam van één doel: geld. Grote bedrijven die er alle belang bij hebben dat bijvoorbeeld diesel en naft nog in grote hoeveelheden worden geconsumeerd, zullen vermoedelijk ‘koste wat kost’ (zolang het opbrengt) proberen boycotten dat bvb enorm goedkope vervoerstechnologie die volledig op elektriciteit werkt, in effect zal gebracht worden. 2. Mentaliteit naar het openbaar vervoer toe. Het openbaar vervoer wordt vaak als 2e of 3e keuze beschouwd. Stel dat er sterke vooruitgang is op het vlak van openbaar vervoer(comfort, efficiëntie, bereik, betaalbaarheid), zou deze mentaliteit (of eerder ‘koppigheid’) ervoor kunnen zorgen dat deze vooruitgang eerder traag gehoor vindt bij het grote publiek, wat de transitie kan bemoeilijken. 3. ...

antwoord van vorig jaar was wat rond de pot gedraaid vond ik( Bestaande regimes die de transitie kunnen bemoeilijken of tegenwerken zijn kennis (bij een tekort aan kennis zal men ook niet geven om duurzame ontwikkeling). We hebben gemerkt dat kennis samen gaat met een hoger opleidingsniveau en dat er wel een breder draagvlak groeit voor DO maar geen diepere. Naast kennis heeft men ook een goede attitude en gedrag nodig om het maatschappelijk draagvlak te vergroten. DO kan enkel gerealiseerd worden met een groot maatschappelijk draagvlak, dit wil zeggen dat het enkel kan gerealiseerd worden met de inzet van beleidsmakers, bedrijven en burgers en andere actoren. Een positieve attitude is bij veel mensen al aanwezig, men moet DO zien als iets positiefs en men moet het belangrijk vinden. De minderheid slaagt er echter in om deze attitude ook om te zetten naar gedrag. DO is een discours begrip geworden. Veel actoren stellen hun attitude positiever voor dan ze eigenlijk is. De attitude en het gedrag van de mensen gaat niet méér richting DO dan vroeger. Wanneer mensen hun gedrag moeten veranderen zal hier dan ook veel weerstand voor zijn. Iedereen is het gewoon om met een auto te rijden en als men opeens minder mag autorijden is hier weerstand voor. De grootte van deze weerstand bepaalt hoe snel de transitie gaat. 1. Er heerst een algemene wens om in het groen te leven in de natuur. Jobs bevinden zich echter in de stadsomgeving en daarom moet er elke dag een grote afstand met de auto worden afgelegd wat ook bijdraagt tot file vorming. Mensen moeten zich hiervan bewust worden en vaker kiezen om dichter bij de stad/werk te gaan wonen.

2. De mentaliteit naar het openbaar vervoer toe moet veranderd worden zodat men niet meer voor het comfort van de auto kiest maar voor de bus/trein. Ook moet de mentaliteit veranderd worden van de manier waarop men kijkt naar het openbaar vervoer, het mag niet meer gezien worden als enkel voor jongeren of oude mensen. Een stap in de goede richting zou ook al carpoolen zijn. )

c. In welke fase zit deze transitie in Vlaanderen volgens jou momenteel? Beargumenteer je antwoord. Semmel: (Een transitie heeft een multi-level perspectief. Een macroniveau (landschap - traag), een mesoniveau (regimes - weerstand) en een microniveau (niches – Snel een veelvuldig). Op vlak van landschap zijn er grote maatschappelijke evoluties op gebied van politiek, cultuur en wereldbeelden, zoals globalisering of klimaatverandering. Op vlak van regimes is er een stelsel van dominante praktijken en belangen die door veel actoren gedeeld worden. In de niches kunnen afwijkingen van het bestaande regime ontstaan. Experimenten spelen hierbij een belangrijke rol. Niet elke niche leidt tot een transitie. )

Een transitie bestaat uit 4 fasen. (teken evt grafiekske op p20 erbij) Predevelopmentfase, waar weinig vooruitgang zichtbaar is, maar waar wel een langetermijnvisie wordt opgesteld met experimenten op nicheniveau. Ondanks tegenwerking van hoger (meso-)niveau kan er toch in geval van succesvolle niche-experimenten en een doorbraak terecht gekomen worden in de Take-offfase. Als er dan gemerkt wordt dat dit toepasbaar is op grote schaal kan men overgaan naar de Breaktroughfase, waarbij de transitie een vaste plaats zoekt in de maatschappij en de daaraan gebonden regimes. In de Stabilisatiefase is de overgang van oude naar nieuwe regime compleet en volgt stabilisering.

Mijn gevoel zegt me dat we in een predevelopmentfase zitten. Er zijn duidelijk experimenten aan de gang zoals bvb de elektrische personenwagen. Ook een langetermijnvisie wordt over nagedacht en is ook noodzakelijk met de duidelijke dreiging van klimaatsopwarming, uitputting van olievoorraden, etc. Je zou kunnen zeggen dat sommige niches zich in de buurt van een takeofffase bevinden, zoals weer de elektrische wagen, die op deze moment zeker nog niet toepasbaar is op grote schaal (wegens te duur, te weinig oplaadplaatsen, ...) en daarom nog geen echte doorbraak kent. Dergelijke ideeën kennen ook nog veel tegenstand uit het dominante regime omdat ze (nog) niet optimaal zijn, wat ook weer meer aansluit bij de predevelopmentfase. Als bioloog is mijn kennis omtrent personenvervoer, openbaar vervoer, industrieel vervoer en vooral de mogelijkheden daarvan eerder beperkt en aangezien ik zelf nog niet heb ervaren dat er op deze moment een duidelijke verandering in Vlaanderen aan de gang is, kan ik niet anders dan concluderen dat Vlaanderen zich in het algemeen, althans wat betreft de mobiliteitstransitie, in de predevelopmentfase bevindt.  Voorbeelden dat ge eventueel nog kunt implementeren int tekstje hierboven: Smog alarm, pendelfonds, onderzoek naar eco-driving; fossiele brandstoffen, gratis carpooldatabank, invoeren van een fietsmanager voor vlaams fietsbeleid, uitbouw van stads-en streekvervoer, ‘slimme mobiliteit’ (worden niet vermeld in hoofdstuk 1!)  Dit zijn initiatieven van de vlaamse overheid, die zelf ideeën hebben die ze het volledige transitiemodel proberen te doen doorlopen om zo vooruitgang te boeken, maar voorlopig dus zeker nog predevelopment en/of takeoff zijn.  Veel (in welke mate bekeken ten opzicht van het geheel???) van deze niches zullen geen volledige transitie doormaken (kunnen terechtkomen in een lock-in, een backlash meemaken of gewoon volledig afgebroken worden.)

Minder semmel, maar minder nuttig om te lezen: (Vlaanderen is voorlopig de enige gefedereerde entiteit die zelf een institutionele structuur en beleid ontwikkeld met betrekking tot DO. Enkele voorzieningen zijn: - Interdepartementale werkgroep met het oog op het vergroten van de horizontale integratie - Vlaams minister van DO sinds 2004 - Sinds 2007 een decreet inzake DO - Vlaanderen werkt mee aan een eigen nationale strategie voor DO. Zoals het ondertekenen van de gauteng verklaring. Dit is ene internationale verklaring waarbij een aantal deelstaten van de wereld zich hebben verbonden tot het opstellen van een eigen strategie DO

Maatregelen zoals het SMOG alarm die ervoor zorgen dat er praktijken zijn die door vele actoren gedeeld worden? Ook zijn er andere initiatieven die Vlaanderen reeds aanbied op weg naar een duurzame mobiliteitstransitie zoals het invoeren van een pendelfonds, onderzoek naar fossiele brandstoffen, stimulans van eco-driving, uitbouw gratis carpooldatabank, integraal waterbeleid, fietsmanager voor het vlaamse fietsbeleid, uitbouw van stads- en streek vervoer. Vlaanderen is gestart met het oprichten van transities, elk met hun eigen manager. Eén daarvan is slimme mobiliteit. )

Vraag 4

De Belgische federale regering beslist om biodiesel voor personenwagens te subsidiëren. De regering acht deze maatregel noodzakelijk om haar Europese doelstellingen inzake hernieuwbare energie te halen. De biodiesel zorgt ook voor minder CO2‐uitstoot.

De brandstof wordt gewonnen uit gewassen die in Brazilië worden geoogst. Door de massale interesse in biodiesel, worden in dit land bijkomende delen van het regenwoud ontbost en klaargemaakt voor de landbouw. Daarnaast worden ook landbouwgebieden in beslag genomen van lokale bevolkingsgroepen, waar ze vroeger gewassen voor hun eigen voedingsbehoeften kweekten. Hierdoor wordt voedsel in deze rurale gebieden duurder en stijgt de lokale armoede.

Evalueer de maatregel van de federale regering op zijn duurzaamheid; geef een overzicht van pro’s en contra’s, met gebruik van zoveel mogelijk begrippen uit de les ‘Concept duurzame ontwikkeling’. Geef aan of volgens jou de pro’s of de contra’s het zwaarst doorwegen en argumenteer je antwoord.



(dit is een afbeelding; kan ze niet aanpassen: standstillbeginsel is niet meer besproken geweest, noch terug te vinden in de tekst(denk). )


Een van de belangrijkste pro’s van deze regeling is dat de hernieuwbare energie en dus ook de biodiesel beter is voor het milieu. Ook de milieu-uitstoot wordt verbeterd. Maar hier moet men echter wel tegenover plaatsen dat er ook grote stukken worden ontbost in Brazilië. Men moet dus het resulterende milieueffect berekenen en kijken of dit wel positief is. Nog een heel belangrijk effect waar men moet naar kijken is de sociale implicaties dat deze regeling heeft in Brazilië.

LES 2 – Duurzame productieprocessen 1. a. Wat verstaat men onder “schoner produceren”? Schoner produceren of ‘cleaner production’ is een concept om op een preventieve manier emissies en afvalproductie tegen te gaan. Hierbij worden preventieve, procesgeïntegreerde maatregelen geïmplementeerd, waarbij vorming van polluenten wordt vermeden aan de bron (i.t.t. end-of-pipe technieken). Het is een benadering (conceptueel, procedureel) van de productie waarbij alle fasen van de levenscyclus van een product of proces worden bekeken met als doel preventie of minimalisatie van korte of lange termijnrisico’s op mens en milieu. Meestal liggen een aantal drukfactoren aan de grondslag van schoner produceren; beperkingen qua grondstoffen, publieke opinie, wetgeving, eisen van verbruikers en investeerders, gezondheid en veiligheid van het personeel en kosten in verband met grondstoffen, energie en verwerking van afvalstoffen. Maatregelen om schoner te produceren zijn: (DIT IS duidelijk een apart deel in boekske, kies dus maar of ge het erbij leert of nie, het hoeft er niet per se bij denk ik)

  • good housekeeping: relatief kleine voor de handliggende ingrepen op het niveau van operationele procedure, organisatie en administratie, die bijdragen tot schoner produceren. Vb het aanpassen van verpakking kan voor dalende input van grondstoffen zorgen (karton, allerlei kunststoffen, ...).
  • Inputverandering: enkele voorbeelden zijn het gebruik van (hernieuwbare) grondstoffen(biodiesel), interne recyclage (hergebruik van afvalstoffen of nevenproducten als input voor ander proces in het eigen bedrijf), externe recyclage (gebruik van afvalstoffen van een proces als grondstof in een ander proces, vb gelatine uit slachtafval), ...
  • Technische veranderingen in bestaande processen: optimalisatie door gebruik van andere technologie, apparatuur, het verhogen van rendement van een proces, betere monitoring, controle en automatisatie.
	- Procesintensificatie: ontwikkeling van nieuwe apparaten en technieken die leiden tot kleinere
	   apparatuursafmetingen, lager energieverbruik en afvalproductie, hogere selectiviteit, ..
	- Nieuw Proces: totaal nieuw en duurzaam proces om een bestaand proces te vervangen
	- Industriële ecologie, symbiose: =systeembenadering, waarbij nagenoeg alle afvalstoffen
	  worden gerecycleerd volgens een aantal kringlopen materiaal en energiestromen cycliseren.
   b. Wat zijn de doelstellingen van “schoner produceren? Illustreer met een voorbeeld

De doelstellingen zijn: 1. Grondstoffen, hulpstoffen (ook water)

	- Minimaal gebruik, vooral ook bij niet-hernieuwbare en of gevaarlijke stoffen
	- zo veel mogelijk recycleren van afval, water en nevenproducten

2. Energie

	- minimaal verbruik, in het bijzonder niet-hernieuwbare
	- recyclage

3. Minimale productie van (toxisch) afval 4. Minimale emissies naar lucht, water en bodem  Producing more with less!  Pollution Prevention Pays! (aanzienlijke besparingen kunnen gebeuren bij het toepassen van deze principes.) Voorbeeld: Een voorbeeld dat een voorloper is wat betreft Industriële ecologie is BASF Antwerpen. BASF is een bedrijf dat consequent ‘industriële ecologie’ toepast. Het werd geconcipieerd met voor een deel het oog hierop. BASF Antwerpen is een 100% dochterbedrijf van BASF actiengesellschaft. Dit is een wereldwijde chemische onderneming die basis- en fijnchemicaliën, kunststoffen, verdelgingsproducten, meststoffen en anorganische producten produceert. Het motto van dit bedrijf is: ‘Verbund van producten en energie is onze sleutel tot succes!’. Er is dus zowel een productenverbund als een energieverbund.

Productenverbund: Hierin vinden we zowel verticale als horizontale integratie. Bij de uitbouw van de verticale integratie is de naftackracker het belangrijkste proces. Hieruit wordt ethyleen, benzeen en propyleen geproduceerd. Ethyleen en benzeen worden omgezet in styreen, de bouwsteen van polystyreen. Uit benzeen wordt aniline geproduceerd dat gebruikt wordt in de productie van MDI en verder in deze van polyurethaan. Ethyleen is de bouwsteen voor het maken van de kunststof PVC. Ander voorbeeld van verticale integratie is de productie van een aantal verbindingen uit aardgas. Onder horizontale integratie verstaat men de vervlechting tussen de verticale productieketens.

Het productenverbund leidt tot besparingen: Er is minder verbruik van grondstoffen en minder transport van producten.

Energieverbund: Een aantal processen vragen energie in de vorm van stoom en andere processen leveren deze energie. De energie wordt uitgewisseld. Er moet slecht weinig bijkomende stoom geproduceerd worden in een energiecentrale. Van 1975 tot 2004 steeg de hoeveelheid stoom dat gerecupereerd werd van 28% naar 82%. De hoeveelheid stoom die geproduceerd moest worden in de centrale daalde van 72% naar 13%. Het energieverbruik daalde van 0,87 megawattuur/ton product tot 0,23 megawattuur/ton product.

BASF Antwerpen behoort qua energie efficiëntie tot de wereldtop.

2. a. Wat verstaat men onder Best Beschikbare Technologie? (stond enkel in slides, niet veel over te zeggen) In de wet staat: VLAREM II (artikel zoveel). • De exploitant moet als zorgvuldig persoon steeds de best beschikbare technieken (BBT) toepassen ter bescherming van mens en milieu, en dit zowel bij de keuze van de behandelingsmethodes op het niveau van de emissies, als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen (aangepaste productietechnieken en –methoden, grondstoffen-beheersing en dergelijke meer) Definitie BBT, best beschikbare technologie (BAT, best available technology) • Best = best voor het milieu in zijn geheel: lucht, afval, water, gebruik van energie, gebruik van grondstoffen, bodemverontreiniging... • Beschikbaar technologie: voldoende ontwikkeld, toepasbaar  economisch: - kosten zijn in verhouding met milieuvoordelen

			- kosten kunnen door bedrijven gedragen worden
			- kosten kunnen door bedrijven gedragen worden

• Technologie - - end-of-pipe (rookgaszuivering, afvalwaterzuivering, ...) - proces geïntegreerde maatregelen (andere grondstoffen, procesvoorwaarden,...) - maatregelen op vlak van organisatie (EMS, training,...) BATNEEC (Best Available Technology Not Entailing Excessive Costs)  dit is denk ik eerder hoe het in realiteit wordt toegepast

   b. Geef een voorbeeld. 

Uit de slides: ingrijpen in een bestaand proces via technische modificatie: wijziging in omzetting/rendement van een reactie; vb gebruik van (betere) katalysator: Verminderen van emissies van lachgas met 60% per jaar (N2O) door katalytische reductie tot stikstof bij de productie van salpeterzuur(BASF) • = jaarlijks vermindering van greenhouse gassen emissies BASF met 23 % (2.106 ton CO2-eq/j) • Responsible care award 2006 (Essenscia) Als ge indruk wilt maken: Voorbeeld gevonden op de website www.emis.vito.be (stond in slides. Energie- en Milieu-InformatieSystemen) ergens in een europees besluitdocument. Het betreft de ijzer- en staalindustrie en water- en afvalwaterbeheer: 1.1.6 W a t e r - e n a f v a l w a t e r b e h e e r 12. De BBT voor afvalwaterbeheer is afvalwater voorkomen, verzamelen en de verschillende afvalwaterstromen scheiden en daarbij het afvalwater zo veel mogelijk intern recycleren en elke eindstroom ervan adequaat behandelen. Dit omvat technieken waarbij gebruik wordt gemaakt van bv. olieafscheiders, filtratie of bezinking. In deze context kunnen de volgende technieken gebruikt worden wanneer aan de vermelde voorwaarden wordt voldaan: — gebruik van drinkwater voor productielijnen vermijden; — toename van het aantal en/of de capaciteit van waterrecirculatiesystemen bij de bouw van nieuwe installaties of de modernisering/vernieuwing van bestaande installaties; — centralisatie van de distributie van binnenkomend zoet water; — gebruik van water in cascade totdat de afzonderlijke parameters hun wettelijke of technische limieten bereiken; — gebruik van het water in andere installaties indien slechts bepaalde parameters van het water aangetast zijn en verder gebruik mogelijk is; — behandeld en onbehandeld afvalwater gescheiden houden; door deze maatregel is het mogelijk om afvalwater op verschillende manieren tegen een redelijke kostprijs af te voeren; — waar mogelijk gebruik maken van regenwater.

Toepasbaarheid Het waterbeheer in een geïntegreerde staalfabriek zal in de eerste plaats worden beperkt door de beschikbaarheid en kwaliteit van zoet water en van lokale wettelijke voorschriften. In bestaande installaties kan de bestaande structuur van de watertoevoer de toepasbaarheid beperken.


Les 3 – Duurzame productontwikkeling Vraag 1: Het klassieke streefdoel van een groeiende economie lijkt niet verenigbaar met een aanvaardbare milieubelasting. Licht toe en geef aan wat hier de consequenties van zijn voor de maakindustrie. Op basis van voorspellingen in de bevolkingsgroei en wereldwijde toename van de levensstandaard, berekende men dat de milieu-impact per geproduceerd product moet gereduceerd worden met een factor 4 à 10, sommigen beweren zelfs 20.

MB = M * W * B MB = milieubelasting,milieudruk M = metabolisme: de milieugebruikersruimte per persoon bij een gegeven welstandsniveau. W = gemiddeld welstandsniveau per hoofd van de bevolking. B = bevolkingsomvang.

Voor een gegeven functie B en een na te streven welstandsniveau W, dient een voldoende laag metabolisme M nagestreefd te worden zodat de totale milieudruk aanvaardbaar blijft. Een aanvaardbare milieu impact, die het na te streven metabolisme bepaalt, mag de behoeften voorziening voor volgende generaties niet in gevaar brengen. Het metabolisme moet dus gereduceerd worden met een factor, 4, 10 of 20 met verhoogde B en W in de toekomst.

Om de milieu-impact te reduceren heeft de industrie een tweesporen aanpak nodig. 1. Procesgerichte aanpak: milieu-impact van individuele productie-, distributie- of verwerkingsprocessen reduceren. 2. Productgerichte aanpak: Globale optimalisatie van producten over de volledige levenscyclus. Noodzakelijk om tijdens het ontwerpproces al rekening te houden met de potentiële milieu-impact van het product doorheen de levenscyclus. (van ontginning naar productie, distributie en gebruiksstappen tot aan de terugname en finale afvalverwerking) het concept ‘Ecodesign’ met levenscyclusdenken als basis ervan

Er is geen enkelvoudige strategie om de milieu-impact van een product te reduceren. Elke levensfase van het product biedt een waaier van mogelijke strategieën die te vinden zijn in de productspecifieke LCA = levenscyclus analyse. 1. Verminderen van de milieu impact in het productiestadium : Bewuste proceskeuze: gebruik van productieprocessen met lage milieu-impact Bewuste materiaalkeuze: vermijden van schaarse en toxische materialen Dematerialiseren van het ontwerp (reductie van het materiaalverbruik) 2. Verminderen van het milieu impact in de gebruiksfase: minimalisatie distributie-impact, langer voorziene gebruiksperiode, optimalisatie gebruiksefficiëntie bij ‘actieve producten’ (=die tijdens levensfase toevoer van grondstoffen nodig hebben) zoals emissies en wisselstukken. 3. Minimalisering logistieke impact: Gewicht, vorm en verpakking bepalen geschiktheid van producten voor transport en distributie. Laag gewicht, laag transportvolume, goede isolerende kenmerken, snelle opbouw met weinig extra hulpmiddelen. 4. Verminderen van de milieu-impact in het einde levensstadium: hergebruik van producten of onderdelen (vb hervulbare balpen/markeerstift), recyclage door ontmanteling of scheiden van materialen met destructieve recyclage en selectieve ontmanteling, regeneratie van grondstoffen. Tijdige vervangen kan ook juist gunstige effecten hebben: vb oude koelkasten: zeer beperkte isolatiemogelijkheden (Ladder van Lansink (p.88) is een leidraad voor het ideale eindelevensscenario)


Vraag 2: De minister van consumentenzaken stelt voor om vanaf nu de BTW op producten afhankelijk te maken van een geaggregeerde eco-score berekend via LCA. Geef 3 argumenten pro en 3 argumenten contra. Illustreer je antwoord met voorbeelden. Voordelen verbonden aan het gebruik van een dergelijke score voor BTW bepaling: • Een geaggregeerde eco-score zou een duidelijk overzicht opleveren van de impact van producten via de weergave in één referentie-eenheid, wat ervoor zorgt dat de producten gemakkelijk te vergelijken zijn. Vb van een referentie eenheid: CO2 typisch de referentiestof voor impact op het broeikaseffect (andere gassen worden dan omgerekend naar equivalenten van CO2hoeveelheid) • Hogere prijs voor ‘slechtere’ producten gaat rechtstreeks nadelige effecten hebben voor bedrijven die blind zijn voor ecologisch verantwoord en duurzamer produceren. Tomaten uit Amerika zullen vermoedelijk een heel wat slechtere eco-score krijgen dan tomaten die lokaal geproduceerd worden wegens de hoge druk van transport.  ‘goede’ industrie wordt bevoordeeld doordat consumenten automatisch zullen kiezen voor producten met een lagere ecologische impact als de prijzen er van dalen, en dit gaat ten koste van ‘slechte’ industrie. • Hoe meer producten worden onderworpen aan een LCA, hoe meer gegevens bekend gaan geraken in een centrale databank. Hieruit kunnen meer gestroomlijnde milieu-indicatoren worden ontwikkeld voor materialen. Dit is handig in het stadium van het ontwerpproces van een product. Ook terugkoppeling van analyseresultaten van bestaande producten naar het ontwerp van nieuwe varianten is dan mogelijk. Vb van dat laatste: automobielfabrieken die LCA’s van hun modellen maken, hieruit kunnen leerrijke conclusies worden getrokken omtrent de bijdrage van gebruikte componenten aan het eindresultaat alsook de evoluties van de LCA-resultaten over verschillende generaties heen.

Nadelen/beperkingen verbonden met gebruik van LCA in ecodesign: • Veronderstellingen en methodologische keuzes: moeten gemaakt worden bij het uitvoeren van een LCA. De ‘wegingsstap’ bij een impactanalyse is daar een voorbeeld van en dit leidt tot vaak eindeloze discussies tussen voor en tegenstanders. Op basis van 1 geagreggeerde eco-score de prijs van producten (gedeeltelijk) bepalen gaat veel stof doen oplaaien bij de producenten. • Gebrek aan kwalitatief hoogstaande invoergegevens. • Bemoeilijken van toekennen van de score door discrepantie tussen berekende, potentiële en gemiddelde milieu-impact en de te verwachten, effectieve lokale milieu-impact, zeker bij lokale milieuproblemen. Vb verzuring van de lucht kan totaal andere gevolgen hebben in een historische stadskern dan in ruraal gebied. = belangrijk probleem voor ontwerpers, die vaak geen doorgedreven expertise op milieuvlak kennen. • Een degelijke LCA uitvoeren kost een enorme hoeveelheid tijd en middelen. Realtime LCA-feedback tijdens het ontwerpproces is dan ook niet evident. • De term eco-score doet vermoeden dat niet alle aspecten van duurzaamheid in rekening worden genomen, met name het sociale aspect.



Vraag 3: Elektrische voertuigen worden gepromoot als een (deel van de) oplossing om het transport te vergroenen. Nuanceer deze stelling. Illustreer je antwoord met voorbeelden. Als men spreekt over elektrische voortuigen moet een onderscheid worden gemaakt tussen hybride voertuigen en ‘puur’ elektrische voertuigen. Bij elektrische voertuigen wordt de energie geproduceerd in elektriciteitscentrales, bij plug-in hybrides het deel energie dat uit de stekker komt. Die elektrische energie kan afkomstig zijn van CO2-arme energiebronnen, zoals wind – en zonne-energie, maar anderzijds ook uit klassieke thermische centrales die wel CO2 uitstoten. We zien dat nieuwe technologieën, in vgl met klassieke aandrijftechnologieën niet zoveel beter scoren op het gebied van CO2-uitstoot omdat de klassieke ook mee evolueren. De echt nieuwe volledig elektrische energie brengt ook veel extra kosten mee op vlak van voertuig en hebben een CO2-vrije elektriciteitsproductie nodig om echt beter te scoren. De aankoop van een hybride toyota prius en toyota lexus werd tot 2011 gesubsidieerd met 3000 euro per voertuig. De vermindering van CO2-uitstoot op jaarbasis is(was) 0,6 ton CO2. De vraag is dan natuurlijk waarom dit gesubsidieerd wordt als je weet dat in de industrie 1 ton CO2 op jaarbasis kan worden aangekocht voor 10-30 euro. De overheid zou dus met het uitgeven van 30 euro (CO2-rechten opkopen maar niet gebruiken) meer kunnen besparen wat betreft CO2-emmisies met een significant monetair verschil. Voor zuiver elektrische voertuigen (voorbeeld Chevrolet VOLT) geldt eigenlijk hetzelfde. Ze krijgen een subsidie van 30% met een maximum van 9000 euro. Als de overheid 9000 euro zou investeren in CO2-rechten; zou dit 300 ton CO2 uitsparen op jaarbasis. Een volledig elektrisch voertuig, indien volledig gevoed door windenergie (!), zou per jaar ongeveer 2 ton CO2 besparen. Ook in ogen van de consument is een volledig elektrische wagen maar matig interessant (wat ervoor zorgt dat er geen hoge vraag naar dit soort wagens is). Een benzinewagen kost 1427 euro per jaar voor een bepaalde afstand af te leggen (benzinekosten + accijnzen). Een volledig elektrische wagen betaald zo’n 401 euro voor dezelfde afstand. Indien bij deze laatste een gelijkaardige accijns komt als bij de benzinewagens, komt dit neer op 580 euro extra, dus 1081 euro. Dit voordeel aan gebruikskosten (446/jaar) is te laag om ongemakken van het laden en beperkte actieradius en de meerkost van 10.000 tot 15.000 euro bij aankoop te kunnen compenseren. Zonder massale subsidies en vrijstelling van accijnzen is dit voor de consument dus eveneens weinig interessant. Maatschappelijk vlak: ’t zijn vaak dure auto’s, en het milieuvoordeel is eerder beperkt  hoge subsidies hebben wat weg van een Mattheuseffect (rijken worden rijker, armen armer) We moeten natuurlijk wel onthouden dat een elektrische auto de emissie verlegt naar elektriciteitscentrales, waar de niet-broeikasemissies in principe beter kunnen worden gecontroleerd. Ook het gebruik van zware metalen in batterijen is een milieu-effect dat relevant kan zijn in de appreciatie van elektrische voertuigen. Twee andere redenen die worden gebruikt door vlaamse overheid: - Niche voor vlaamse of Belgische industrie: Een nieuwe markt vereist Resource & Development subsidies voor de eigen productontwikkeling, omdat ze toelaten het marktaandeel van de eigen industrie te verhogen. De vlaamse industrie zal niet de enige zijn om op die markt actief te zijn en de vraag is dan waarom er extra inspanningen moeten komen voor dit product en niet voor nieuwe varianten van bvb chocolade of bier. - Het leereffect: de subsidie aan de verkoop van elektrische auto’s zorgt voor meer consumptie, en meer consumptie leidt tot extra kennis die toelaten om de kosten van elektrische wagens te drukken. Het gaat hier echter om een massaproduct dat geëvalueerd wordt op Europese of wereldschaal. Een eventueel leereffect is ook moeilijk te patenteren voor de Vlaamse industrie , zodat het weinig zinvol lijkt dat Vlaanderen of België massaal subsidies geeft om deze leereffecten te bekomen. LES 4 – Recht en duurzaamheid Vraag 1: De Verklaring van Rio van 1992 is dringend aan actualisering toe. Zij vertegenwoordigt al lang niet meer de actualiteit van het recht inzake duurzame ontwikkeling'. Bespreek. Het verdrag van Rio is opgebouwd uit een heel aantal principes, waarvan principe 3 de algemene definitie geeft van duurzame ontwikkeling: ‘The right to development must be fulfilled so as to equitably meet developmental and environmental needs of present and future generations’. Dit legt de nadruk op 3 pijlers : milieu, sociale en economische ontwikkeling. Milieurecht heet zelf 4 uitgangspunten vaan duurzame ontwikkeling: Intergenerational equity , sustainable use, intra-generational equity, integratiebeginsel.

Het integratiebeginsel betekend dat milieu overwegingen mee worden genomen in economische en ontwikkelingsdoeleinden en ontwikkelingsdoeleinden mee in milieu. Het moet dus overal geïntegreerd zijn wat enerzijds  als te streng en te controversieel wordt gezien om elk project hier op af te stemmen en anderzijds als te mak wordt gezien omdat het een te brede vage richtlijn is.

In de EU hebben ze hier ook zelf een visie op VWEU: artikel 6 dat milieu geïntegreerd worden in de doelen en het beleid van de EU => focus meer op milieu dan andere 2 peiler van het verdrag van Rio. => vereenzelving duurzame ontwikkeling en milieu => explosie van internationaal milieurecht => afstand tot verdrag van Rio groot door gebrek aan focus op de socio-economische zijde 2002 Johannesburg: heroriënteren van de visie die ontwikkeld was de afgelopen jaren. Door druk van de ontwikkelingslanden moet er terug gefocust worden op duurzame ontwikkeling met 3 evenwaardige pijlers. => terug meer focus op verklaring van Rio

(vertegenwoordigt dus nog visie van rio)

Hieronder kort de andere besproken principes van Rio en of zij nog up to date zijn: Principe 2 : teritorialiteit, soevereiniteit en verantwoordelijkheid; vanuit dit principe blijft men nog altijd sterk werken omdat er geen beter alternatief is (zie vraag 3 voor uitwerking) Principe 12 : het nut van het recht: internationale consensus bereiken heeft een veel langdurige effect; wordt nog steeds benadrukt Principe 15: preventie- en voorzorgsbeginselen: belangrijk (zie vraag 2) je kunt beter al iets bescherming bieden ook al is de wetenschap er nog niet 100% zeker van of je kwaad doet en dit afhankelijk van je kunnen (rijke landen meer); wordt nog benadrukt Principe 16: vervuiler betaald: principe gezond verstand; maar er is gebrek aan politieke wil en het is ingewikkeld wanneer het gaat over schade die niet direct aan de mens is (vb biodiversiteit) Principe 7: ieder land is verantwoordelijk, maar meeste problemen veroorzaakt door ontwikkelde landen dus zij moeten meer hun best doen; geen consensus over USA tegenargument: ontwikkelingslanden zijn al sterk vergroenen en de grote problemen komen nu van China en co. Zij kunnen hun oude materiaal goedkoper innoveren dan dat de beste zich nog moeten verbeteren.

Een groot deel van de principes van Rio worden dus nog nagestreefd. Een deel van de focus ligt nu meer op enkel milieurecht, maar de 2 andere peilers van duurzame ontwikkeling zijn er de afgelope jaren wel weer meer bij betrokken. Het landschap is stukken ingewikkelder geworden door de vele economische linken tussen de verschillende landen en de sterk groeiende economie in tot voor kort ontwikkelingslanden (China India…). De ideeën en uitgangspunten van Rio zijn dus zeker nog relevant maar de uitwerking en wetgeving zijn veel complexer geworden.

Vraag 2: Het voorzorgbeginsel fnuikt innovatie: alles waar men niet 100% zeker van is wordt immers niet toegelaten.' Bespreek. Het voorzorgsbeginsel is gebaseerd op principe 2 en principe 15 van het verdrag van Rio: Er is het Preventie beginsel (PB) en het voorzorgsbeginsel (VB) PB: verplicht actie ter bescherming van het leefmilieu ondernemen in een vroeg stadium, zo mogelijk voor de schade. VB: geen eensluidende definitie: staten mogen zich niet nalaten handelingen te reglementeren ook al is er geen sluitend wetenschappelijk bewijs van oorzakelijk verband met schade (deze definitie heeft een meer negatieve ondertoon) Ze verschillen op: 1. Inhoud: PB: gekende risico’s VB: onzekere risico’s: bewijs van verband met schade of bewijs van schade zelf niet sluitend 2. Juridisch draagvlak: Pb:deel van internationaal publiek recht VB: internationale juridische aard staat niet vast, enkel in aantal verdragen zoals van EU In EU is VB gerechtvaardigde techniek in het risicobeheer. Argument: milieuveiligheid is namelijk niet louter een wetenschappelijke procedure maar in belangrijke mate een beleidsproces; Dit is natuurlijk behoorlijk fnuikend voor economische innovatie omdat als je niet voldoende doet om een mogelijk probleem voor het milieu te voorkomen (dat op dit moment nog niet eens bewezen is) je daarna de schuld krijgt met alle gevolgen van dien. Er zal dus behoorlijke terughoudendheid zijn om te innoveren door de onzekerheid van de gevolgen en de hoge kost van de voorzorgen die mss nog niet eens allen tot nut zijn. Anderzijds kan het ook innovatie in de hand werken omdat er voor alle ondernemingen waarbij een mogelijk risico loopt een oplossing gezocht moet worden wat heel vaak in het productieproces of dergelijk is. Commissie een Mededeling van de EU heeft water bij de wijn gedaan omdat dit voor spanningen zorgde met de USA door volgende aanpassingen aan hun visie:

  • genomen maatregelen moeten evenredig zijn met het niveau van bescherming
  • niet-discriminerend in toepassing
  • consistentie tussen alle genomen maatregelen
  • gebaseerd op milieutechnische en economische kosten-batenanalyse
  • ruimte voor evaluatie en mogelijke herziening

=> Verklaring 15: gemilderde visie op VB door verwijzing naar kostenefficiëntie Zo zegt men: Aandringen op milieutechnologie kan niet voor elke prijs, zeker als betrokken staat niet de economische achtergrond heeft om dit te kunnen dragen. (vb ontwikkelingslanden) =>BATNEEC: best available techniques not entailing excessive costs: Belang voor ontwikkelingslanden USA: no regrets doctrine ipv voorzorgsbeginsel: zij investeren in zaken die mogelijk goed zijn voor het milieu, maar baat het toch niet voor het milieu hebben ze er nog altijd iets aan, vb alternatieve energiebronnen ontwikkelen PB: veel onzekerheden maar toch bindend principe in international recht


Vraag3: Vervuiling van de atmosfeer is China's goed recht. De Europese Unie kan zich daar juridisch gezien niet mee moeien.' Bespreek

Pincipe 2 van Rio: national sovereignty over natural resourses: Je mag enkel doen op je eigen land als je geen schade brengt aan milieu van andere landen De nadruk ligt op soevereiniteit maar die heeft ook zijn grenzen: deze zijn normaal uitgewerkt in arbitrage en verdragen. Er zijn verschillende principes:

  • Teritoriale soevereiniteit
  • Res nullius: grond nog niet toegeëigend aan territoriale soevereiniteit
  • Res communis: dit is van alle staten die het allen mogen gebruiken, kan niet soeverein toegeëigend worden: iedereen heeft dit nodig en heeft er belang bij
  • global commons: gemeenschappelijk erfgoed van de mens. Dit is van iedereen: nood toestemming internationale gemeenschap om er iets mee te doen

….*Common concern: belang voor het voortbestaan van individuele staten => een staat mag er geen nadelige maatregelen treffen voor betrokken staten en zelfs verplicht positieve maatregelen om dit te beschermen. Vb: klimaat: Eenzijdige positieve maatregelen nemen, zelfs als ze een (negatieve) impact hebben op grondgebied van andere staten. Het ligt er dus aan waar je klimaat en luchtvervuiling plaats om te zien of je iets kunt veranderen: Probleem: je kunt een staat (China) niet verplichten mee te doen met verdragen: Staten mogen zich enkel interstatelijk verbinden op grond van hun eigen vrije wil; andere staten hebben niet het recht extraterritoriaal op te treden. (Vb China de uitstoot te verbieden) Pagina 66 en 67 jurisdictie: Uitvoerende jurisdictie: uitoefenen van macht verbonden aan soevereiniteit Rechtelijke jursdicitie: objectieve territorialiteit: • beschermingsprincipe: claimt bevoegdheden over activiteiten van niet-onderdanen in een ander land als veiligheid van de staat bedreigd wordt • effectdoctrine: enkel als belangrijkste gevolg van de betrokken activiteit belangen van de staat schaad

wetgevende of voorschrijvende jurisdictie: kan tot veel spanning en controverse leiden tussen staten

=> meeste kans bij rechtelijke jurisdictie alhoewel dit wss niet toe te passen is op iets vaag als CO2

Principe 12 van Rio: Comity: schoenmaker blijf bij uw leest: je kunt niet alles oplossen met juridische regels. Dit hangt af van de aard van de relatie met dat land (China) Effectdoctrine is een mogelijkheid : maar nood aan rechtstreekse, voorzienbare en substantiële gevolgen voor de betrokken staat zouden noodzakelijk zijn om bevoegdheid te kunnen claimen: bewijslast ligt bij de staat dat bevoegdheid claimt. Gekwalificeerde effectdoctrine Internationale consensus door onderhandelen van verdragen lijkt de enige duurzame oplossing: anders constant conflicten over bevoegdheden Tot nu toe weinig mogelijk als een land niet mee wilt doen met een verdrag (kyototaks of andere sancties kan niet door het internationaal handelsrecht) mss in de toekomst beroep doen op common concern. Maar dit heeft tot nu toe weinig juridisch belang. Het behandelen als global commons heeft ook geen nut omdat dan enkel iets uitgevoerd mag worden als alle staten er mee eens zijn.

LES 5 – Energie Vraag 1: Geef een gestructureerde definitie van leveringszekerheid. Leg elk van de onderdelen uit, en geef een voorbeeld.

Leveringszekerheid: vermijden van gebrek aan of onderbreken van directe levering van energiebronnen aan welke consument dan ook wanneer ook nodig. Dit bestaat uit 3 onderdelen:

1. strategische zekerheid van energiebronnen = continue voorziening van primaire brandstoffen /bronnen: (nadruk ligt hier op de productielanden) - fysische aanwezigheid van primaire energiebronnen (in eigen land): genoeg mijnen en velden die nog te exploreren zijn tot de beschikking hebben - inzet/investeren in productiecapaciteit van productie landen: zorgen dat er genoeg gas en olie kan blijven opgehaald worden -geopolitiek: als je invoert uit andere landen is er altijd een onvoorspelbaarheid: veel komt uit het onrustige midden oosten of de ex Sovjet unie waarmee diplomatieke conflicten kunnen zijn. Altijd dus focussen op meerdere bronnen en niet alles uit 1 regio halen zodat als daar iets mis gaat je nog een andere bron kunt aanspreken.

2. adequaatheid = zorgen alles ook goed tot bij je land komt en verwerkt kan worden (voldoende investeringen in consument- en transitlanden) -investeren in verschillende installaties (elektriciteitcentrales, raffinaderijen…) voorzien die base load, peak load en variable load kunne opvangen, verwerken en omzetten (verschil in vraag en aanbod) -investeren in transit pijpleidingen , gas en olietankers, hoogspanningsnet over de grenzen: in meer dan 1 route: zodat alles altijd tot hier geraakt met back ups voor als er iets mis gaat

3. black out en plotse doorbraken vermijden: zorgen dat het systeem zich normaal gedraagt voor de consumenten ook op momenten met abnormale/onverwachte gebeurtenissen Belangrijkste elementen hiervoor zijn : -diversiteit aan bronnen en technologie -blijven investeren in netwerk en instalaties - flexibiliteit en goede controle met mogelijkheid tot opslag - een sterk regulatorisch framework (om piekmomenten te monitoren.

Vb gas: België uit Rusland en de Noordzee: Gas van Rusland wordt door een heel netwerk langs Oekraïne naar heel europa verdeeld. Conflict tussen Oekraïne en Rusland (Meer markconforme prijzen voor ex-sovjet landen en een eerlijke prijs om Russisch gas door Oekraine te laten lopen was gevraagd) => Oekr draait de kraan dicht: bijna heel europa met gastekort => België geen probleem door nog toevoer van Noordzee: belang van meerdere en netwerken en kunnen verwerken op eigen bodem 3 grote gasreserves: rusland iran en quatar: niet de meest stabiele landen

Dit principe geeft de Problemen van hernieuwbare energie goed weer: er is wel veel energie ter beschikking, maar er is niet steeds het vermogen beschikbaar op het moment dat men het vraagt. (voorbeeld windstil/geen zon veel vraag naar energie) => Nood aan back up vermogen: er zijn dus centrales die voordurend op een minimum draaien en kunnen verhogen wnr nodig om die problemen op te vangen. => er is een veel groter geïnstalleerd vermogen nodig op verschillende plaatsen om ook de pieken te kunnen voorzien => veel duurder Er zijn ook problemen liberalisering van de energiemarkt: kortetermijndenken wordt hier enkel uit bedrijfsoptiek gebruikt: snelle winst=> niet voldoende voorzien op lange termijn voorzien doordat er geen binden uitrustingsplan meer is en de bedrijven niet verantwoordelijk zijn als er een black-out is. => meer gevaar voor black out en minder zekerheid op constanten voorziening


Vraag 2: De schatting van de hoeveelheid reserves van fossiele brandstoffen is een "hot topic", met veel onduidelijkheid. Welk zijn de indicatoren die gebruikt worden bij deze schattingen, en aan welke onzekerheden zijn deze indicatoren gebonden? Leg uit voor de olievoorraden.

Aardolie wordt sinds de crisis van de jaren 70 stukken minder gebruikt voor elekticiteitsopwekking, maar nog wel voor transport en de petrochemie. Schatting wordt gedaan volgens het r/p ratio: reserves/current production = aantal jaren er nog voorraad is Dit is een redelijk vereenvoudigd systeem en neemt dan ook heel wat onzekere voorwaardes op: - de productie is constant en reserves zijn constant (alle reserves zijn dus gekend) - de hoeveelheid en bruikbaarheid van de reserves zijn onafhankelijk van de olieprijs - alle reseves kunnen leeggepomt worden tot de laatste druppel Met die berekening zouden we nog ongeveer 40 jaar aardolie kunnen produceren met het productieniveau dat we nu hebben Er zijn hierbij heel wat onzekerheden die de periode kunnen verlengen of verkorten: - Er kunnen nieuwe technieken komen die meer olie kunnen halen uit een veld (vb: EOR: enhanced oil recovery: dat lukt nu voor 35%: elke procent die ze er meer kunnen uithalen geef 2.5 jaar extra olie) - Er kunnen nieuwe velden gevonden worden of vrijkomen (vb Antarctica) - Nieuwe productiesystemen: vb winnen uit teerzand - Prijs zal stijgen naar gelang er minder over is waardoor de consumptie verminderd en er dus meer jaren over gedaan kan worden - De productie zal wss niet hetzelfde blijven: discussie over wanneer de productiepiek (Oil peak, Hubbert peak) gaat vallen, sommige denken dat dat nu ongeveer is. Daarna zal het bergaf gaan en zal het ook duurder worden - Tegen 2030 voornaamste bronnen nog in het middenoosten: dit zijn niet stabiele regio’s dus dit kan effect hebben op productiehoeveelheid en prijs

Het probleem zal niet zo zeer de fysische beschikbaarheid zijn, maar de betaalbaarheid om het nog te verkrijgen: laatste druppel zal veel duurder zijn (gewoon door markt) maar ook doordat het veel moeilijkere en duurdere technieken kost om het boven te halen. Hoge kost van de fossiele brandstof weegt ook zwaar op de economie


Vraag 3: Leg uit wat de rol is van efficiënter energie gebruik (energy conservation) in de toekomst van het energieverbruik. Wat zijn de opportuniteiten, en wat zijn de beperkingen waar we rekening mee moeten houden.

Uit alle mogelijke modellen voor de toekomst blijkt dat het energieverbruik de komende decennia sterk zal stijgen. De vraag is hoe we dit kunnen verhinderen, verminderen zodat er voldoende aanbod kan zijn en dat het milieu niet nog harder gaat lijden. Energieverbruik is afhankelijk van 2 zaken: vraag naar energie en energie-intensiteit. De vraag naar energie hangt vooral af van het gedrag van de mensen en dit is moeilijk te veranderen omdat dit te maken heeft met comfort en zo: vragen om licht uit te doen, verwarming lager te zetten… ligt heel moeilijk omdat je ingrijpt op het gedrag van de mensen. Hier kun je dan ook weinig uit halen. Enige manier waardoor je mensen kunt overtuigen er beter op te letten is de energieprijzen te doen stijgen maar dit heeft negatief effect op het concurrentievermogen van je bedrijven tov van andere landen. Energie-intensiteit is de hoeveelheid gebruikte energie per eenheid activiteit of product: meer energiezuinige energietechnologieën. Dit kunnen we verminderen door Goed engineering: - energie-conversietechnologie: duurzamere producten en productieprocessen die hetzelfde doen voor minder energie -gelijktijdig gebruik van elektriciteit en warmte: vb Warmtekrachtkoppeling -opvallend energieverlies vermijden (isolatie) = Technologische gedreven rendementsverbeteringen. Dit moet zowel toegepast worden in industriële productie als in de bouw => energie-efficiënte stijgt= omgekeerde van energie intensiteit. Hier liggen de opportuniteiten voor het grijpen om nieuwe technieken en producten te ontwikkelen

Er zijn ook wel een aantal beperkende kanttekeningen: Er is een onderscheid tussen technisch realiseerbare potentieel en economisch potentieel en het markt potentieel (dit houdt rekening met aankoopgedrag consument: zeker, betaalbaar en proper). Iets kan zo goed als energieneutraal zijn, maar als het meer kost voor de consument dan ze er aan gesparen zal het niet gekocht worden. De prijs energiezuinigste toestellen en bouwtechnische ingrepen ligt dus ook hoger in aanschaf: die meerkost maar na verloop van tijd door energiebesparing wordt terugverdiend. Maar dit geeft altijd een onzekerheid voor de mensen waardoor hier vaak heel terughoudend op wordt gereageerd. waardoor iets zich heel moeilijk in de markt kan nestelen of met een natuurlijke traagheid start. Vb: frequentiegestuurde elektrische motor, aanpassingen inde bouwsector Zelf energie opwekken door vb zonnepanelen kan ook voor problemen zorgen als dit ondoordacht en in massaal hoeveelheden wordt gedaan zijn er zeer veel vermogens die voor storing in de spanning of verlies aan spanningsstabiliteit op het net zorgen. Er moet naar alles gekeken worden niet alleen de elektrische apparaten maar ook de verwerking van de primaire energiebronnen, hier valt vaak meer op te winnen. Er zal ook meer op elektrisch worden overgeschakeld omdat dit energie-efficiënter is. De liberalisering energiemarkt zorgt ook voor problemen omdat de overheid nu maar zeer beperkte mogelijkheid heeft tot ingrijpen en dus minder sturend kan werken naar de optimalisatie van de energie-efficiënte. Ook valt er nog veel te rapen in de transportsector op vlak van efficiëntie, daar moet zeker op verder gewerkt worden.

Door vernieuwing laatste 200 jaar is er een globale energie intensiteitdaling van 1% per jaar. Maar de vraag en verbruik groeit sneller dan 1 % per jaar wereldwijd. Er moet dus verder ingezet worden op die efficiëntie maar dit zal niet genoeg zijn. De algemene vraag zal ook moeten verlagen, er zal dus ook iets moeten veranderen aan het gedrag en de cultuur.

LES 6 – Duurzaam Bouwen en Wonen Vraag 1 Als we de probleemstelling rond duurzaam bouwen en wonen analyseren, komen we tot een aantal vaststellingen: 1. Het potentieel aan energiebesparing in het gebouwenpark is zeer groot. 2. Op het niveau van 1 gebouw kan je tot zeer lage energieverbruiken komen (cfr. passiefhuis, nulenergiewoning). 3. Toch zal het niet evident zijn om binnen de komende 20 jaar te komen tot een energiezuinig gebouwenpark. Argumenteer deze vaststellingen bondig en verklaar de schijnbare tegenstelling tussen 1)-2) enerzijds en 3) anderzijds. Geef ook kort aan welke prioriteiten het beleid volgens jou zou moeten uitzetten om op langere termijn toch tot een duurzaam gebouwenpark te komen. 1. Er zijn verschillende mogelijkheden om aan energiebesparing te doen. Als men kijkt naar het energieverbruik van een huis moet men rekening houden met het verbruik tijdens de gebruiksfase en het verbruik tijdens de constructie en afbraak. Men kan de energieprestatie opdrijven via isolatie van het dak, binnen of buiten isolatie van de buitenmuren, plaatsen van isolerende beglazing

2. Op het niveau van 1 gebouw kunnen we inderdaad tot een zeer laag energieverbruik komen. Een passief huis heeft zo een lage netto energiebehoefte dat een traditioneel verwarmingssysteem niet meer nodig is. Bij nulenergiegebouwen wordt het energiegebruik op jaarbasis volledig gedekt door de eigen energieproductie. Ook zijn er energie-autarke gebouwen die volledig instaan voor hun eigen energiebehoefte. Deze gebouwen worden soms als de ultieme duurzame gebouwen beschouwd maar in tegenstelling tot meer traditionele gebouwen vragen ze veel meer technologie met een veel hogere ingebouwde energie en pollutie, hoger gebruik van grondstoffen en veel hogere investeringskost. Tijdens de gebruiksfase wordt amper energie gebruikt maar het is nooit aangetoond dat de globale balans van de levenscyclus positief is.

3. Het zal inderdaad niet makkelijk zijn om binnen de komende 20 jaar tot een energiezuinig gebouwenpark te komen. Het woningenpark bestaat voor 60% uit gebouwen van voor 1980. De gebouwen zijn grote energieverbruikers. Meer dan 70% van de woningen is groter dan 65m² en 1 op 3 woningen is een open bebouwing. Ook wordt er een stijgend aantal huishoudens met 11% verwacht.

Om tot een energiezuinig gebouwenpark te komen zal men moeten werken op 2 grote actiedomeinen: het verhogen van de energieprestatie en het reduceren van het energieverbruik van de te renoveren gebouwen. Renovatie moet gestimuleerd worden om zo de renovatiegraad op te trekken. Minstens 50% moet gerenoveerd worden als de renovatie niet doelgericht is en 30% als de er gefocust wordt op de oudste woningen eerst. Ook de integratie van hernieuwbare energiebronnen is nodig, zowel in nieuwbouw als in renovatie. Ook een verhoging van het aantal niet-vergunde ingrepen zoals goede dakisolatie, nieuwe ramen, vervangen van de ketel. De energie-prestatie eis moet verstrengd worden, voor nieuwbouw moet deze opgetrokken worden naar E60-E70/K20 en voor renovaties naar E80/K35. Enkel nog condensatieketels of wartepompen toepassen.

Het gebouwenpark is een zeer inert systeem. Is er informatie beschikbaar over de isolatie en dubbele beglazing maar niet over de dikte ervan of de kwaliteit. We zien tendensen van de renovatie van vooral 1 gezinswoningen. Ook het aantal nieuwe woongebouwen neemt af maar het aantal nieuwe wooneenheden blijft constant. Er zijn minder 1 gezinswoningen en meer flats.

De schijnbare tegenstelling is dus dat ondanks dat we woningen kunnen maken die tot zeer lage energieverbruiken kunnen komen en het potentieel aan energiebesparing groot is dat we toch niet snel tot een energie zuiver bouwpark kunnen komen. De woningen met lage energieverbruiken zijn economisch niet haalbaar en het zou teveel kosten om alle gebouwen af te breken en lage energieverbruik woningen te plaatsen. Het toepassen van de energiebesparingen kunnen wel helpen maar nemen veel tijd en ook kosten in beslag.

Vraag 2 Stel, je werkt in een gehuurd kantoor in de omgeving van Leuven, de huurtermijn is verstreken en kan niet meer worden verlengd. Je werkgever gaat op zoek naar een oplossing voor dit ‘huisvestingsprobleem’ voor zijn werknemers en vraagt hierbij jouw advies. Duurzaamheid voor dit kantoor (in zijn ruime betekenis) is voor hem belangrijk, maar uiteraard zijn de financiële mogelijkheden niet onbeperkt. Geef aan welke keuzes je vanuit het oogpunt duurzaamheid zou adviseren en waarom. Schets hoe je, ondanks een beperkt budget, toch een zeer duurzaam kantoor kan realiseren. Je mag hierbij abstractie maken van de huidige hoge kostprijs van bouwgronden of bestaande gebouwen in Leuven en omgeving.

• Op zoek gaan naar energiezuinig gebouw: interne warmtewinsten beperken (netto energiebeoeften beperken), inzet van duurzame energie om te voldoen aan deel van de netto energiebehoeften, geoptimaliseerde installaties voor verwarming en koeling (condensatieketels), verlichting en luchtbehandeling • Compact, NZ-oriëntatie met kantoor N en circulatieruimte Z, regelbare buitenzonwering, geen valse plafonds • In de buurt van het station: werknemers hebben de mogelijkheid om comfortabel met de trein te komen. • Beperken van het energiegebruik in de gebruiksfase (optimalisatie verlichting en apparatuur): LED verlichting, licht uitdoen als het niet nodig is, sanitair met minimaal waterverbruik of eventueel gebruik van regenwater

Vraag 3 Bespreek kort enkele belangrijke duurzaamheidsproblemen van een verkaveling met vrijstaande woningen uit de jaren 1980, gelegen aan de rand van een kleine Vlaamse stad.

Een vrijstaande woning heeft in vergelijking met een aaneengesloten of halfopen bebouwing een veel groter warmteverliesoppervlak. Er worden immers geen buitenmuren gedeeld met andere gebouwen. In 1980 was er ook nog geen tendens naar kleinere woningen zoals we die vandaag de dag kennen. Ook dit draagt bij aan het warmte verlies doordat er een goteren oppervlak ter beschikking is. Dit warmteverlies wordt extra in de hand gewerkt door de lage kwaliteit van de thermische isolatie, wat per eenheid geveloppervlakte meer warmteverlies betekend. Vooral de buitenmuren werden in die tijd slecht geIsoleerd. Het is pas vanaf de invoering van de energieprestatieregelgeving in 2006, dat er een geleidelijke verbetering is. De huizen van de periode 1980 worden dus gekenmerkt door een hoog K-peil (isolatiepeil: beoordeelt de compactheid van een woning en de mate waarin ze geïsoleerd is) en E-peil (energerieprestiepeil: beoordeelt het globale energiegerbruik). Daarenboven beschikten ze toen nog niet over erg effieciente verwarminsketels (condensatieketels) zodat het isolatiepeil van een typische woning van de jaren 80 ronde de K150-K200 ligt (vandaag K40) en een energieprestatiepeil van E200 of meer (vandaag E70). De technologisch hoogstaande bouwmaterialen van vandaag de dag waren ook nog niet aanwezig. Er werd weinig gerecycleerd materiaal gebruikt voor de bouw.

Een vrijstaande verkaveling heeft ook als gevolg dat er niet compact (lage bebouwingsdichtheid) gebouwd wordt. Dit betekend dat de infrastructuurnetwerken sterk uitgebreid moeten worden. Verder neemt de mobiliteitsvraag toe door de langere afstanden: wandelen en fietsen wordt vervangen door intensief autogebruik en het openbaarvervoer kan geen hoge efficiëntie realiseren. Er is dus meer vervuiling door het verkeer. Bovendien wordt de groene ruimte omheen de stad vermindert. LES 7 – Duurzame Veeteelt? Vraag 1: Illustreer hoe het gemeenschappelijke landbouwbeleid van de EU sedert de oprichting van de EEG geëvolueerd is en evalueer deze evolutie vanuit Brundtland's drievoudige duurzaamheidsperspectief. Onder impuls van het gemeenschappelijke landbouw- en voedselbeleid verkreeg landbouw een intensief karakter. De Europese aanpak met uitgebreide subsidiepaketten voor de europese boeren en voorkeursregelingen met derde landen, bleek erg succesvol met overproductie tot gevolg (boterbergen, melkplassen). Uitgebreide uitleg bij antwoord vorig jaar (wat afkomstig is van de slides).

Deze intensieve landbouw is alles behalve duurzaam:

• Economische dimensie: Voederproductie vindt plaats in ontwikkelingslanden, waarbij de milieulasten van de productie van voeder en de sociale implicaties voor lokale gemeenschappen niet verrekend zijn in de producieprijs en/of de consumptieprijs. De productien die consumenten kopen zijn dus goedkoper dan ze in werkelijkheid kosten. • Ecologische dimensie: wereldwijde degradatie van water, bodem, lucth. De selectie naar hoogproductieve rassen leid tot een verlies in genetische diversiteit. De voederproductie in het buitenland gaat tenkoste van de lokale biodiversiteit (oa kappen van amazonewoud voor akkers). Mestoverschotten in EU worden getransporteerd naar voederproductie landen. Dit verstoord de energiebalans nog verder. Overvloedig gebruik van chemicaliën = schadelijke effecten voor mensen & leefomgeving. Nood aan niet-hernieuwbare (fossiele)brandstoffen. • Socioculturele dimensie: Voederproductie in landen met snelle bevolkingsstijging => kunnen niet aan eigen noden voorzien (hongersnood). Intensieve landbouw leidt tot een verzwakte concurentie positie van kleinschalige boeren, die in minder ontwikkelde regio’s produceren => overproductie in EU leidt tot dumpingprijzen. Grote afstand tussen producent & consument maakt het moeilijk om elkaars verwachtingen, mogelijkheden en beperkingen te begrijpen. Vraagstelling bij kwaliteit van hedendaags massavoedsel en dierenwelzijn. Een ander schadelijk effect is dat door de intensivering een grotere voedselproductie is, weliswaar geproduceerd door een kleiner aantal boeren (werkgelegenheid in deze sector is sterk gedaald). Daarenboven komt nog dat kleine boeren met een laag budget niet kunnen concurreren met de grote boeren.

Vraag 2 Bespreek de verschillende visies op dierenwelzijn. Wil aandacht besteden aan de gevolgde argumentatie en illustreer elke visie. Beschrijf met een voorbeeld hoe specifieke oplossingen voor een bepaald dierenwelzijnsprobleem een ander welzijnsprobleem kunnen creëren. Welzijn als optimaal functioneren van dieren naargelang productiedoelen (functioning school) • Uitsluitend oog voor optimaal biologisch fucntioneren (= gezondheid, reproductief succes, fitheid, productie capaciteit, vleesaanzet, adaptatie vermogen) • aanpassing van huisvestingssystemen & fokdoelen van commericiële bedrijven ter bevordering biologische productie

Nadeel: intensieve houderijsystemen sluiten dierspecifiek gedrag uit. Eenzijdige selectie op productie kenmerken leidt tot verlies van secundaire kenmerken die in relatie staan tot dierenwelzijn (bijv onnatuurlijk hongergevoel vleeskippen, -varkens dat niet overeenkomt met natuurlijke nutritionele noden)

Welzijn als niet-lijden => nadruk op gevoelens van dier (feelingsschool) • Welzijn beschreven in termen van subjectieve ervaringen, reductie negatieve gevoelens (pijn/lijden), bevorderen positieve emoties (comfort/plezier) • subjectieve ervaringen objectieveren: o preferentieonderzoek: dier kiest omgeving waar ze meer tevreden zijn o obervatie abnormaal gedrag, vocale signalen, gedragskenmerken  dierenwelzijn conceptualiseren obv hiërarchie of needs = fysiologische-, veiligheids- en gedragsbehoeften

Nadeel: Ervaringen zijn subjectief => moeilijk kwantificeerbaar en kwalificeerbaar.

Welzijn als vervullen van natuurlijke gedragsbehoeften (behaviour school) • Dieren moeten in de mogelijkheid zijn om vrij natuurlijk gedrag te vertonen (honoreren dierspecifieke leefomgevingen) • Is het gedrag van landbouwdieren wel nog gelijk aan het gedrag van de voorouder (wilde)dieren • via selectie kan de nood aan bepaalde behoeften aangepast worden (bijv verdwijnen broedgedrag legkip) => morele overwegingen

Nadeel: De natuurlijke omgeving is niet altijd de beste. Bijv vrije uitloop bij legkippen hebben een grote kans op kanibalisme en infectiedruk wat het welzijn verminderd.

Welzijn als integriteitsbescherming (integrity school) • mutilaties = welzijnsschendingen (bijv snavelkappen, onthoornen, castratie, …) • Mag ook niet onder verdoving, amputaties überhaupt niet geoorloofd (alleen bij noodzakelijke interventies in het voordeel van het welzijn)

Nadeel: Uitgevoerde mutilaties vaak noodzakelijk om verwonding van andere dieren te vermijden: preventie kanibalisme (snavelkappen), of ze zijn noodzakelijk voor de identificatie (oorringen) of om infectieriscico’s te verminderen. Deze ingrepen dragen dus bij tot het welzijn van andere dieren.

Vraag 3 Huisvestingssystemen voor legkippen hebben elk hun specifieke voor- en nadelen. Geef een overzicht van de mogelijkheden en bespreek ze vanuit de verschillende perspectieven op een duurzame legkippenhouderij. Beargumenteer uw antwoord. • Klassieke legbatterijen: kleine kooistructuren met draadbodemen o voordelen: dieren in kleine groepen, hygiënisch, grotere controle en voorspelbaarheid o nadelen: dieronvriendelijk karakter, geen natuurlijk gedrag  Economisch perspectief: grootste productie bij minder investeringen, geen arbeidsintentief werk, geen verlies van eieren, productie voorspelbaar  Ecologisch: goede hygiëne  sociocultureel: gebrek aan dieren welzijn: geen nat gedrag/omgeving, kleine kooien. MAAR geen kanibalisme

 Vrije uitloop: open stal met buitenloop, vrije beweging, legnesten, zitstokken o voordelen: natuurlijk gedrag o nadelen: kannibalisme, parasitaire infecties  economisch: verhoging productie kosten (eieren niet in legnesten, vertrappelen eieren), weinig voorspelbaar, verhoogd voedergebruik  milieu: slechte hygiëne (parasitisme) => gebruik antibiotica, invactinaties  draagt bij tot resistente bacteriën  sociocultureel: dierenwelzijn (natuurlijk gedrag)

• Verrijkte kooi: grotere kooi met extra faciliteiten (legnesten, zitstokken, …)  economisch: zelfde voordelen als legbatterij, lage kost extra faciliteiten, controleerbaar, voorspelbaar  milieu: goede hygiëne  socio-cultureel: nog steeds beperkte ruimte => natuurlijk gedrag beperkt

• Voliere systeem: vrije beweging op verschillende niveaus, automatische voer- watervoorziening op alle verdieping  economisch: hoge productie kosten met lagere opbrengst (verloren gelegde eieren, moeilijk vangen van kippen) niet ideale werkomstandigheden, onvoorspelbare prod resultaten  milieu: slechte hygiëne (veel stof, ammoniak)  sociocultureel: nat gedrag  meer botbreuken, kannibalisme

Vraag 1 Illustreer hoe het gemeenschappelijke landbouwbeleid van de EU sedert de oprichting van de EEG geëvolueerd is en evalueer deze evolutie vanuit Brundtland's drievoudige duurzaamheidsperspectief. Vorig jaar was de vraag en het antwoord: (ik denk eigenlijk dat het gewoon dezelfde vraag is)

Illustreer hoe het gemeenschappelijke landbouwbeleid van de EU geëvolueerd is en evalueer deze evolutie vanuit het duurzaamheidsperspectief.

Tijdens en na WOII: voedselschaarste en hongerwinters

Voldoende voedsel tegen betaalbare prijzen, redelijk inkomen voor de boeren, hoge zelfvoorzieningsgraad.

De komst van de Benelux-integratie & GLB (EEG) zorgde voor importtarieven, exportsubsidies, interventieaankopen en mechanisering, schaalvergroting en automatisering van de industrie.

GEVOLGEN: Marktafscherming Ontwrichting van de wereldmarkt, Overproductie (boterbergen, wijnmeren, melkplassen) Kostprijs: Impact op natuur, milieu, water, landschap en dierenwelzijn, Afnemende leefbaarheid op het platteland, Spanningen met andere WTO-partners.

GLB of CAP 1962: gemeenschappelijke marktordening 1972: van markt- en prijsbeleid naar structuurbeleid 1984: melkquota 1992: MacSharry hervormingen (regeling van handelsoverschotten en handelspolitieke aspecten, Uruguay WTO ronde, granen/eiwitgewassen/rundvlees/oliezaden) 2000: Agenda 2000 (multifunctionele karakter van de landbouw, geïntegreerde benadering van plattelandseconomie, flexibiliteit van steunmaatregelen en transparantie bij beheer en uitwerken van programma’s) 2003: Mid-Term Review van Agenda 2000 (ontkoppeling subsidies van productie) 2004 & 2007: verdubbeling van aantal landbouwers na toetreding van 12 nieuwe lidstaten (27 in totaal) 2008: Health Check; huidige GLB/CAP wordt herzien in 2012:

2 pijlers (directe inkomenssteun en plattelandsontwikkeling) Directe inkomstensteun Van het EU budget gaat er in 2013 39% naar landbouw, in 1970 was dit nog 88%.

Plattelandsontwikkeling - Investeringen in landbouwbedrijven (duurzame productiviteit, werkgelegenheid en groei in plattelandsgebieden stimuleren) - Jonge landbouwers aantrekken - Opleiden en vormen van landbouwers - Diversificatie van producten, diensten, vooral met toegevoegde waarde (landschap, regionale vermarkting, etc.) - Betere integratie, verdere ontwikkeling van het platteland - …

Aard van de hervormingen - Een bedrijfstoeslag voor de landbouwers in de EU, ongeacht hun productie (ontkoppeling van de steun) - De koppeling van deze toeslag aan de inachtneming van normen op het gebied van milieu, voedselveiligheid, gezondheid van dieren en planten en dierenwelzijn (randvoorwaarden) - Een versterkt plattelandsontwikkelingsbeleid, dat wordt gefinancierd door de rechtstreekse betalingen aan grote landbouwbedrijven te verminderen (modulatie) - Een regeling voor financiële discipline om ervoor te zorgen dat de uitgaven aan marktsteun en rechtstreekse steun tussen 2007 en 2013 een bepaald plafond niet te boven gaan - Herziening van het beleid bijvoorbeeld van de tabak, hop, katoen, olijfolie en suiker sectoren

Wat besluiten we hier uit op valk van duurzaamheid? Ze steunen de kleine man en de boeren ipv de grote landbouwbedrijven maar ze verminderen ook hun geld dat ze investeren in de landbouw, dus wordt het dan duurzamer of niet? Ik ken niet zoveel van boeren :p … :D ja als ze niet veel geld steken in het investeren van landbouw, da is al helemaal niet goed voor DO! Want nieuwe technieken zijn meestal gericht op het milieu en duurzaamheid. Dus da wilt zeggen dat ze eigenlijk gaan zorgen voor een achterstand van de landbouwtechnieken op vlak van milieuvriendelijkheid. En een ander groot probleem is de overproductie! Ontwikkelingslanden hebben te weinig, maar zullen hun welvaart ook willen verbeteren, dus verwachten we een stijging van voedselproductie in ontwikkelingslanden, waardoor die overexploitatie alleen maar erger wordt en als de landbouw technieken niet beter worden, zal de natuur alleen maar meer schade worden aangedaan.

Vraag 2 Bespreek de verschillende visies op dierenwelzijn. Wil aandacht besteden aan de gevolgde argumentatie en illustreer elke visie. Beschrijf met een voorbeeld (dit stond vorig jaar niet bij in de vraag) hoe specifieke oplossingen voor een bepaald dierenwelzijnsprobleem een ander welzijnsprobleem kunnen creëren. 1)Welzijn als het optimaal functioneren van dieren naargelang productiedoelen: In deze benadering stelt men dat al dan niet welzijn van dieren overeenstemt met het biologisch functioneren van het dier. Er wordt gekeken naar factoren zoals gezondheid, voortplantingsvermogen, productiecapaciteit (bv. aantal eieren of hoeveelheid melk), vleesaanzet … . Het is duidelijk dat deze visie veel tegenspraak krijgt omdat deze veel secundaire kenmerken van dieren die tot het welzijn bijdragen buiten beschouwing laten. Dit zijn factoren zoals mogelijkheid tot sociaal contact (indien het dier hiertoe in staat is), bewegingsvrijheid, … . Kortom kenmerken van een dier dewelke niet noodzakelijk zijn voor het goed biologisch functioneren maar dewelke het toch doet indien het de keuze krijgt.

2)Welzijn als niet-lijden, gelukkig zijn en plezier beleven: Deze visie stelt het welzijn van dieren gelijk met zo weinig mogelijk ervaring van negatieve emoties (pijn, lijden, …) en zoveel mogelijk ervaring van positieve emoties (comfort, plezier, …). Dit is dus duidelijk een visie gebaseerd op gevoelens. Dit klinkt als de meest logische visie maar een groot probleem dient zich op, namelijk de mogelijkheid tot het “meten” van dierengevoelens. Een deel testen is erop gebaseerd dat een dier zal kiezen voor een omgeving waarin ze meer tevreden zullen zijn. Verder kan er gelet worden op vocale signalen of eventueel abnormaal gedrag. Een andere gebruikte techniek is gebaseerd op een hiërarchie van behoeften (bv.: levensnoodzakelijke behoeften, gezondheidsbehoeften en comfortbehoeften). Ik denk dat veel mensen dit een zeer goede visie vinden maar het probleem zit in de subjectiviteit en moeilijkheid van kwantificatie en kwalificatie.

3)Welzijn als het vervullen van “natuurlijke” gedragsbehoeften van dieren: Deze visie focust zich op het gedragsrepertoire van dieren. Dieren moeten de mogelijkheid hebben hun natuurlijk gedrag te vertonen. Zo willen vogels vliegen, konijnen graven en holen maken en varkens wroeten en woelen. Ook hier is het weer moeilijk te zeggen waar de grens ligt vanwege het evolutieprincipe. Dieren passen zich aan aan hun omgeving, het is dus niet altijd juist het gedrag van (niet in gevangenschap levende) voorouders als het natuurlijke gedrag (telos) te beschouwen en als indicator voor het welzijn te gebruiken . Een ethische kwestie die hieruit volgt is het aanpassen van het natuurlijk gedrag van dieren. Bijvoorbeeld het verdwijnen van het broedgedrag bij commerciële legkippen.

4)Welzijn als integriteitbescherming: Deze visie ziet elke mutilatie als een welzijnsschending. Het wegnemen van lichaamsdelen of het toebrengen van schade aan het lichaam van dieren, al dan niet onder verdoving, wordt vaak gedaan in de veehouderij. Voorbeelden zijn wegnemen van het gewei, vleugelknippen, tanden afbreken of vijlen, castratie, … . Deze ingrepen lijden soms tot postchirurgische of chronische pijn. Deze visie stelt dat elke ingreep, behalve deze noodzakelijk voor de gezondheid, ongeoorloofd is. Een moeilijke kwestie hier zijn genetische manipulaties, een voorbeeld zijn blinde kippen. Ik denk dat de meeste mensen het er over eens zijn dat blinde kippen creëren niet kan maar wat over genetische manipulaties zodat bv. koeien meer melk produceren als normaal.

Vraag 3 Huisvestingssystemen voor legkippen hebben elk hun specifieke voor- en nadelen. Geef een overzicht van de mogelijkheden en bespreek ze vanuit de verschillende perspectieven (vorig jaar was het: bespreek vanuit het perspectief van een duurzame legkippen..)op een duurzame legkippenhouderij. Beargumenteer uw antwoord. Het systeem van klassieke legbatterijen en dit van vrije uitloop zijn waarschijnlijk de minst duurzame. Dit van de klassieke legbatterij is economisch veruit het beste. Dit neemt het minste plaats in (dus ook meer grond beschikbaar voor voedselvoorziening, ecologisch), minder sterfte door beter hygiëne en geen kannibalisme, geen arbeiders nodig voor het verzamelen van de eieren, geen eieren buiten het nest die vertrappeld worden, … . Het nadeel hiervan is het gebrek aan dierenwelzijn, alhoewel de hygiëne goed is en er weinig gevaar is voor kannibalisme wordt het natuurlijk gedrag van de kippen sterk belemmerd. Vooral vanwege de kleine kooien en het gebrek aan een natuurlijk omgeving (buitenlucht, zitstokken, …) heeft dit systeem een zeer slecht imago. Vrije uitloop scoort dan weer goed op gebied van dierenwelzijn (ondanks kannibalisme en grotere kans op ziektes) en heeft een goed imago. Het is echter voornamelijk de economische factor die slecht is en ook is er het veel landgebruik (wat al een moeilijk punt is mede met de opkomst van biobrandstoffen). Indien dit verplicht zou worden in bv. België zou de eiproductie in België volledig weggeconcurreerd worden door eiproductie in het buitenland.

De verrijkte kooi en het volièresysteem zijn dan de meest duurzame oplossingen omdat deze een middenweg zoeken waarbij zowel economische als ecologische als socioculturele factoren een aanvaardbare waarde krijgen. Bij de verrijkte kooi wordt het dierenwelzijn verbeterd door meer ruimte en extra faciliteiten (legnesten, zitstokken, strooisel, …) terwijl de hygiëne behouden blijft en vanwege de relatief kleine extra kost is dit ook op economisch gebied aan aanvaardbare maatregel. De vraag hier is of het dierenwelzijn nu goed genoeg is, de kippen leven nog altijd in een kleine ruimte. Het volièresysteem heeft als groot nadeel de onvoorspelbare productieresultaten en verhoogde kans op ziekten, kwetsuren en kannibalisme. De kippen hebben nu wel meer bewegingsvrijheid maar leven nog altijd niet in hun natuurlijke omgeving en het sterfteaantal zal stijgen vanwege slechtere hygiëne, kannibalisme, … .

Indien aan elke factor (economisch, ecologisch en sociocultureel) een score met een gelijk gewicht zou toegewezen worden is het waarschijnlijk de verrijkte kooi die het meest duurzaam blijkt. De vraag is echter of zaken zoals dierenwelzijn een gelijk gewicht moeten hebben als bijvoorbeeld productiekost per ei. Als dierenwelzijn een groter gewicht krijgt zal de balans meer richting vrije uitloop over leunen. Antwoord van andere mensen op dezelfde vraag : Verschillende huisvestingssystemen zijn voorhanden: klassieke legbatterijen, vrije uitloopsystemen, verrijkte kooien en voliere systemen etc. In een keuze voor een van deze alternatieven dienen verschillende afwegingen te worden gemaakt. Enerzijds is dierenwelzijn een belangrijke factor en moet gekeken worden in welke omgeving de dieren het minste stress ondervinden. Anderzijds moeten veehouders nog steeds kunnen leven van de productie en moet het geheel economisch haalbaar zijn. _ Klassieke legbatterijen: Dit zijn kleine kooistructuren met draadbodem. Er is weinig bewegingsvrijheid voor de kippen maar productie is efficient, hygiene is relatief hoog omdat de uitwerpselen immers op een transportband terecht komen en worden afgevoerd. Kannibalisme onder de populatie is quasi uitgesloten. Dit is echter het systeem waar men van wil afstappen. Het grote nadeel hieraan is echter dat de kooien een dieronvriendelijk imago naar de consument hebben. Het normaal gedrag van kippen wordt hier ook belemmerd. _ De verrijkte kooi: Dit systeem biedt de dieren iets meer ruimte en biedt enkele faciliteiten. Het dierenwelzijn wordt op een relatief goedkope manier lichtjes verbeterd. extra faciliteiten zoals egnesten, zitstokken, strooisel en schuurstroken voor de nagels worden voorzien. De ruimte is echter nog altijd relatief te klein voor een normaal gedrag. Het welzijn van de kippen is nog niet groot genoeg. _ Het voliere systeem: Bevat verschillende verdiepingen waarin de dieren zich kunnen bewegen met automatische voer- en watervoorzieningen op elke verdieping. Nieuwe problemen treden op, zoals botbreuken door verkeerd springen, uitbraken van kannibalisme en moeilijkheden om de dieren te verzamelen voor gezondheidsinspecties. Ook is dit minder efficient door verloren gelegde eieren etc. Niemand kan op voorhand met zekerheid zeggen hoeveel eieren er precies in de legnesten gelegd zullen worden. Deze onvoorspelbaarheid is een groot nadeel van het voliere systeem. In het algemeen is dit minder aantrekkelijk voor de kippenboer. _ Het vrije uitloop systeem: Hier beschikken de legkippen over meer ruimte en ze kunnen volop scharrelen of een stofbad nemen. Maar meer sterfte door kannibalisme en parasitaire infecties gecombineerd met eieren die niet in de legnesten worden gelegd, verhogen de productiekosten van dit systeem aanzienlijk. Dit is een systeem met scharrelkippen waar de dieren hun volledig natuurlijke gedrag kunnen uitoefenen. Het is echter het minst efficiëntste (en dus duurste) alsook het minst hygienische systeem. Gezien vanuit dierenwelzijn is het vrije uitloop systeem het meest duurzame, en het klassieke systeem het minst duurzaam. Qua efficientie en dus prijs voor de consument ligt het net omgekeerd. Verschillende manieren kunnen aangewend worden om tot meer duurzame methodes te convergeren. De consument kan enkel gemotiveerd worden meer te betalen voor duurzamere producten als hem de intensieve veeteelt wordt getoond zoals ze is en er wordt gewezen op de welzijnsproblemen van de dieren. De wetgever kan tegelijkertijd foutieve communicatie over de productie omstandigheden verbieden. Als laatste moet gezocht worden naar win-win situaties waarin de productie-omstandigheden verbeteren maar dit geen verlies in inkomsten voor de boer met zich mee brengt. De overheid moet hier financieel in kunne bijspringen. Een nieuw probleem dat de kop opsteekt is oneerlijke concurrentie van productie in landen waar het niet zo nauw genomen wordt met dierenwelzijn. Zowel in Noord-Amerika als in Europa evolueert de huisvesting voor legkippen naar meer ruimte per hen, maar voorlopig niet aan de gelijke snelheid. Hier gebeurt het sneller. De EU mag legbatterijen op haar grondgebied verbieden, maar mag geen import weigeren van eieren uit legbatterijen vanuit andere landen die tot de WTO behoren. Alleen het eindproduct is van belang voor de WTO, niet de wijze waarop dat product gemaakt is. Om concurrentiele redenen zou het beter zijn dat de EU dan de ei-import kan weigeren vanuit die delen van de wereld waar dierenwelzijn geen doelstelling is en waar de eieren tegen een lagere kostprijs geproduceerd kunnen worden. Of dit mogelijk is moet ook beslist worden door de WTO. Boeren worden bij ons verplicht duurzamere maar duurdere methodes te gebruiken en zien hun inkomsten dalen daar de overheid landbouw subsidies afbouwt en buitenlandse eieren goedkoper zijn. Duurzamere methoden kunnen zo enkel overleven indien het bewustzijn bij de burger wordt aangewakkerd en er een voldoende grote groep mensen overblijft die meer wensen te betalen voor duurzaam geproduceerde eieren. LES 8 – Duurzaam Transport 1. Nog steeds zijn er politici die eisen dat de autosector haar CO2 emissies doet dalen. Zij vinden dat elke sector zijn deel van het werk moet doen. Is dit efficiënt en leg uit hoe je beter kan doen en toch elke sector zijn deel van de kosten kan laten dragen. De beschikbare technologie is nog te duur en ongemakkelijk, plus zijn de bekomende resultaten qua co2 reductie te laag in vergelijking met andere sectoren. Zo zou een volledig elektrische auto (die wordt opgeladen met hernieuwbare energie) ongeveer 2 ton co2 uitsparen en ongeveer 1000 euro aan brandstofkosten (per jaar). Aangezien de auto nog accijnzen moet betalen komt het uitsparen tegenover andere dieselwagen maar op 500 euro per jaar, en dit is veruit onvoldoende tegenover de hogere kosten bij aankoop (minsten 10000 euro) en de ongemakken die hiermee gepaard gaan. Enkel bij hoge subsidies en vrijstelling van accijnzen kunnen elektrische wagen dus economisch meer duurzaam worden dan dieselwagen. Er zou beter een daling van CO2 uitstoot in sectoren waar deze daling een lagere kost met zich meebrengt (bv industrie) komen (waar bijvoorbeeld een reductie van 2ton co2 per jaar maar op ongeveer 60 euro komt). De autosector kan dan deze CO2 emissierechten van de industrie overkopen (wat hun kosten neutraliseert of waardoor de industrie hier zelfs winst op kan maken). De autosector moet dan veel minder investeren in de daling van hun CO2 uitstoot aangezien de prijs van de overgekochtte emissierechten een stuk lager is dan als ze dit zelf zouden doen. Het bespaarde geld kan dan geïnvesteerd worden in innovatie die op zijn beurt dan lijdt tot schonere technologie met een lagere uitstoot (waardoor de meerkost van co2 schonere voortuigen vooral ook lager wordt). Ook wordt zo de niet-daling van CO2 uitstoot in de autosector gecompenseerd met een hogere daling(dan normaal) bij de industrie sector. Ook is het zo dat de transportsector in de volgende jaren sterk zal groeien, dit betekend dat ook al de technologieën energie efficiënter worden, de totale uitstoot van de transportsector moeilijk kan dalen. Indien de autosector toch individueel hun uitstoot moet beperken kan dit gevolgen hebben met betrekking tot de marktcompetitiviteit van de bedrijven tegenover andere landen. Dit kan de economie en daarmee ook het werkaanbod sterk doen dalen en daarmee ook innovatie in deze sector doen fnuiken. Het is dus aan de overheid om de subsidies en lagere accijnzen voor elektrische en hybride wagens serieus terug te schroeven of volledig af schaffen. Anders is de maatschappelijke prijs die we betalen voor de reductie van broeikasgassen, veel hoger dan de effectieve marginale externe kosten die we hierdoor besparen. Enkel wanneer de technologie het toelaat om 1) veel zuiverdere technieken te gebruiken die de externe kost sterk doen dalen en 2) deze technologie betaalbaar maken waardoor de maatschappelijke prijs een stuk naar beneden gaat, dan pas is een co2 reductie in de transportsector economisch rendabel. Wel is het zo dat elektrische wagen de emissies verlegt van de drukke centra zoals steden, naar de elektriciteitscentrales, waar ze beter gecontroleerd kunnen worden. Ook al is de prijs die men hiervoor bijbetaald nog steeds uit proportie met de actuele voordelen qua externe kosten. Daar komt dan nog eens bij dat zware metalen die gebruikt worden in de batterij van elektrische wagen, een ander schadelijk milieueffect kunnen veroorzaken.

2. De Lijn vraagt aan de Vlaamse overheid investeringsubsidies voor het leggen van een nieuwe tramlijn van Haacht naar Brussel. Deze zou de bestaande buslijn vervangen en voor een gedeelte van het traject ook de bestaande busbanen gebruiken. Met deze nieuwe lijn beoogt men een dubbel doel: minder vervuiling maar ook de files richting Brussel verminderen. Hoe evalueer jij dit project? Ook hier is er nood aan een kosten-baten analyse. Men moet de kosten die men investeert vergelijken met de baten die men eruit haalt. Voor de kosten kan dit relatief makkelijk berekent worden, namelijk hoeveel geld men investeert in de nieuwe tramlijn, maar ook het onderhoud en de operatie van deze tramlijn. Aangezien deze betaald worden door de overheid en dus onrechtstreeks door de maatschappij via belastingsgeld, is dit dus een maatschappelijke kost. Het bereken van de baten, dus de vermindering in de marginale sociale kost, is een pak ingewikkelder. Eerst kan men het verschil in directe kosten zoals materiële, maar ook tijds- en ongevalskosten, berekenen. Daarna moet men de vermindering van de filedruk op het verkeer plus de verlaagde milieukost, die de ingreep zou hebben, proberen te berekenen. Ook hier moet men beseffen dat deze baten ten goede komen van de maatschappij. Indien de kosten hoger aan de baten, is er een goede investering gebeurd. Als de kosten groter zijn dan de baten, dan is de investering economisch niet efficiënt. Over het algemeen is het een goede zet om te investeren (subsidiëren) in de aanleg van nieuwe infrastructuur voor openbaar (spoor) vervoer. Dit is omdat dit een rechtstreeks effect gaat hebben op het ontlasten van de wegen en zo dus een sterk effect op het verlagen van het fileprobleem. Door de investering in infrastructuur kan ook de capaciteit vergroten (er kunnen dus meer mensen worden vervoerd). Hierdoor kan de prijs dan weer omlaag gaan. Daarenboven kan door slim beleid van de prijzen van deze tramverbinding in de tijd (spits vs dal) en op doelgroepen, en door subsidiëring waardoor bijvoorbeeld de prijzen tijdens de spits voor werkende mensen laag kan gehouden worden en waardoor mensen die niet genoodzaakt zijn, op een later moment de verbinding moeten nemen. Anderzijds moet men weerom rekening houden dat indien men deze verbinding subsidieert (kost) dat de baten die hieruit worden gehaald even groot moeten zijn. Hiermee gepaard gaat een slim beleid van de prijzen die het verkeer op de weg moet betalen doormiddel van tolheffingen,… Zolang de prijzen van het verkeer niet aangepast worden aan hun marginale sociale kost, zullen investeringen in openbaar vervoer vaak weinig efficiënt blijken.

3. De verenigde cafe-uitbaters in het Leuvense stellen voor om het fileprobleem op te lossen door de lessen aan Universiteit en Hogescholen in Leuven, Brussel en Antwerpen niet te laten beginnen voor 9.30 s morgens. Hoe evalueer jij dit voorstel? Op zicht is dit een goed voorstel aangezien hierbij de bottleneck, die de ochtendspits en avondspits is op onze wegen een beetje kan verspreiden doorheen de tijd. Het is dus een oplossing die de belasting van de wegen intelligent probeert te verspreiden over de tijd. Immers als alle lessen samen beginnen en eindigen met alle bedrijven, gaat iedereen op het zelfde moment de steden binnen/ buiten willen, waardoor de toestroom te groot wordt en er files ontstaan. Maar dit alleen kan het gehele probleem niet oplossen aangezien pendelende studenten vaak maar een kleine fractie vormen van de personen op de baan en vaak nemen zij nog meer het openbaar vervoer (dat ook wel kan bijdrage tot het fileprobleem maar in mindere mate). Daarom zijn er meer verregaande oplossingen nodig zoals het toepassen van een intelligent tolsysteem dat dynamisch is qua tijd en plaats, een meer intelligent prijs/subsidie beleid met betrekking tot openbaar vervoer, etc. LES 9 – Duurzame ontwikkeling en globalisering 1. Waarom staan consumptie- en productiepatronen centraal in een ecologische visie op globalisering? Tijdens globalisering worden de westerse consumptie-en productiemethoden vaak als doel gesteld voor minder ontwikkelde landen. Zij stellen deze als hun norm in en trachten te groeien zodat zij een hoger niveau van comfort kunnen aannemen (wat min of meer hun goed recht is). Als men in rekening neemt dat de huidige westerse maatschappij maar een zeer klein deel van de wereldbevolking is, met weliswaar de grootste impact. Dan zijn de implicaties van de stijging van de welvaart van een zeer groot deel van de wereld tot onze comfortnormen, bijna niet meer te overzien. Zo zal het verbruik van energie en grondstoffen met meerdere factoren stijgen terwijl we nu al met tekorten zitten. Daarenboven zullen ook de emissies van broeikasgassen en toxische stoffen zeer sterk stijgen. En dit alles terwijl de wereldbevolking nog steeds sterk aan het groeien is. Deze verhoogde nood aan energie en grondstoffen plus de verhoogde vervuiling zal de wereld nog meer onder druk zetten en het is te betwijfelen of de wereld dit wel aankan. Bijgevolg zet dit ons als globale maatschappij ook sterk onder druk om deze druk op de planeet sterk af te zwakken. Maar per definitie van duurzame ontwikkeling mag deze afname van druk op de planeet niet in de weg staan van de economische of sociale ontwikkelingen van de mensen en landen. Hierdoor zijn er sterke technische innovaties (die ook verspreid moeten worden) nodig die het mogelijk maken op de energie-efficiëntie en de milieuvriendelijkheid van de productieprocessen en het product zelf sterk kunnen doen stijgen (met tientallen factoren), zodat de wereld zich kan ontwikkelen zonder de aarde te verstikken.

2. Leg uit hoe je door verschillende interpretaties van globalisering ook verschillende visies kunt hebben op de impact ervan op duurzame ontwikkeling. Er zijn verschillende benaderingen van globalisering die ofwel een negatieve ofwel een sterk positieve connotatie kunnen hebben. Zo zijn de meesten het erover eens dat puur economisch gezien globalisering een positieve evolutie is, aangezien dit zorgt voor een grotere economische groei ook in ontwikkelingslanden. Deze groei gaat ook gepaard met de welvaart, al is dit in landen in ontwikkeling vaak dubieus, zo kan de kloof tussen arm en rijk ook groter worden (de armen blijven arm en de rijken worden nog rijker). Ook op het vlak van milieu kan globalisering verschillend benaderd worden, enerzijds als iets dat de milieucrisis enkel nog erger maakt, anderzijds iets wat internationale regeling in het tegengaan van milieudegradatie kan tegengaan. Een eerste negatief verband wordt ook wel ‘the race to the bottom’ genoemd. Dit slaagt op het feit dat landen gaan trachten economisch meer competitief te zijn door hun milieu- en sociale normen zo laag mogelijk te houden. Hierdoor trekken bedrijven naar deze landen omdat ze hier minder in moeten investeren. Dit effect is echter op het vlak van milieu niet onderbouwt of bewezen. Op het sociale vlak is het wel al aangetoond dat bedrijven worden aangetrokken tot ontwikkelingslanden waar de loonkost en sociale normen laag zijn. Hoewel dit vooral een overgangsfase in de ontwikkeling is, aangezien deze landen zich door de komst van een groot aantal bedrijven en met hun, een groter aanbod van werk en kapitaal, sterk gaan ontwikkelen wat gepaard gaat met een stijging in de sociale normen en de loonkost. Een ander negatief effect is dit van de organisatie van ‘pollution havens’ binnen landen, waarin er minder strikte milieu en sociale reglementeringen gelden. Met als doel weer economisch meer competitieve zones te creëren die bedrijven aanlokken. (Bepaalde zones in China, Zuid-Amerika, …). Ook dit is vooral op het vlak van lagere belastingen en het sociale vlak, maar veel minder bij milieunormen. Als laatste en veel meer overtuigende visie is deze dat milieudegradatie intrinsiek verbonden is met de verspreiding van productie en consumptiesystemen. Het komt erop neer dat de verspreiding van de westerse normen van comfort een veel grotere druk op het milieu met zich meebrengt. Zo zal dit een grote stijging van grondstoffen, energie, landgebruik, … met zich meebrengen. Hierbij komt nog eens dat deze ontwikkelingslanden vaak een nog veel meer vervuilende technologie plus een minder sterke institutionele context hebben, waardoor de milieudegradatie enorm kan oplopen op korte tijd (milieu moet wijken voor economie). Daarnaast zijn er ook positieve kijken op globalisering op het sociale en milieugerichte vlak. Als eerste brengt globalisering een sterke verspreiding van de westerse normen entechnologie met zich mee. De schonere technologie van de meer ontwikkelde landen kan direct worden aangewend door de ontwikkelingslanden waardoor hun energie-efficiëntie kan stijgen en hun technieken minder polluerend worden. Ook de stijgende welvaart(sociaal) die gepaard gaat met de economische groei kan moeilijk als iets negatiefs worden bekeken. (environmental kutznets curve) Daarbij komt nog eens dat door de globalisering er een meer internationaal beleid is omtrent sociale- en milieuzaken via verdragen, etc. . Men gaat bijvoorbeeld normen opleggen voor bepaalde producten, en de producenten en hun producten moeten aan deze normen voldoen vooraleer dit op de internationale markt mag komen. Zo kunnen er bijvoorbeeld verboden komen op producten die geproduceerd zijn in fabrieken waar kinderarbeiders werken, of die babypanda’s verkrachten. (porter-esty hypothese: een globaal beleid omtrent milieu- en sociale normen kan de efficiëntie verhogen en innovaties stimuleren zodat de landen meer competitief worden.) Hiermee gepaard komt dan nog eens een veel sterkere internationale controle op milieudegradatie maar ook op het sociale vlak van het productieproces. Deze controles kunnen formeel worden georganiseerd via internationale verdragen, etc. Maar ook informeel door de NGO’s die fungeren als corporate watch dogs en milieuovertredingen of sociale mistoestanden ook aankaarten. Dit leidt vaak tot actie en tot aanpassingen uit de bedrijven.

3. Teken de Environmental Kuznets Curve en leg uit. (staat ni in’t boekske, kleutzak!)

De basis van deze curve is relatief simple. Als een land zich ontwikkeld (inkomen gaat stijgen) onder invloed van de recente globalisering. Gaat het algemene verbruik van grondstoffen, energie, .. sterk stijgen omdat de productie en de consumptie sterk is gestegen. Hierbij komt nog eens dat in de eerste fasen van de ontwikkeling vaak nog gebruik wordt gemaakt van energie-inefficiënte technieken die een zeer hoge impact gaan hebben op het milieu. Het totale effect is dus dat onder invloed van de ontwikkeling van het land, het milieu sterk wordt aangetast tot een bepaald kantel punt. Op dit punt is het land al zo ontwikkeld dat door innovatie maar ook weer onder invloed van globalisering meer energie-efficiënte en milieuvriendelijkere technieken worden gebruikt (best beschikbare technologie). Door het gebruik van deze milieuvriendelijkere technieken gaat de milieudegradatie worden tegengegaan en gaat het milieu terug richting zijn oorspronkelijke staat. Theoretisch gezien zou er bij een hele hoge ontwikkelingsgraad dan ook geen impacts zijn wat evenwel hoogst onwaarschijnlijk is. (Deze curve is min of meer waargenomen in een tal van europese landen waaronder België: de laatst jaren is de uitstoot en lozing van toxische stoffen sterk afgenomen). Men kan hier nu hypotheses van globalisering op loslaten. Zo kan men bijvoorbeeld door het sneller beschikbaar maken van energie-efficiënte en schone technieken, de milieu-degradatie sterk beperken maar ook de ontwikkeling doen versnellen. De kutznets curve is oorspronkelijk ontworpen voor de sociale ongelijkheid die heerst in een land tijdens ontwikkeling maar later is hij ook toegepast op het milieu.